vrijdag 21 augustus 2026

Hart

 

Ik heb een gebroken hart. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik twijfelde of ik 112 zou bellen, ik kon het ook gewoon wegdenken, de vermoeidheid, het transpireren, de druk op mijn borst, de stijve nek en kaken. Ik googelde wat de symptomen waren van een hartaanval bij vrouwen. In één keer mijn bingokaart vol. Ik ging op bed liggen, tijd winnen. Toen belde ik. Het klinkt misschien raar, zei ik tegen de telefoniste, maar ik denk dat ik misschien een hartaanval heb. Tien minuten later stonden er twee ambulancebroeders met een brancard in mijn woning. Er werden verpakkingen opengescheurd, naalden gezet, manchetten omgegespt, een hartfilmpje gemaakt. Wat ruikt het hier lekker naar citroen, zei de knapste ambulancebroeder (niet weer meteen verliefd gaan worden, zei ik tegen mezelf) en ik antwoordde: dat zijn de citroengeraniums, goed tegen muggen. Mijn bloeddruk was 197. Ik werd op de brancard gegespt en de lift in gereden. Niks aan de hand hoor, riep ik lachend tegen een buurvrouw die net de lift uit stapte, het ziet er erger uit dan het is.

Daarna bracht ik drie dagen en drie nachten door op de cardiologieafdeling. De hartfilmpjes vertoonden alleen rustig kabbelende golfjes, bij mijn longfoto’s stond geschreven: Goed ontplooide longen. Heldere longvelden. Maar er zat ook troponine in mijn bloed, wat hartschade verraadde, en mijn bloeddruk bleef maar stijgen. 205 inmiddels, en niks hielp. Therapieresistente hypertensie, las ik. Ik was een personage uit een ziekenhuisserie geworden. De uitzondering. Het moeilijke geval. En ik werd steeds zieker. Op alle tijdstippen werd ik in mijn bed door gangen en klapdeuren gereden, waarna ergens in de krochten van het ziekenhuis scans en echo’s werden gemaakt. Ik had al uitgecheckt, ik was alleen nog maar lichaam.

 

Drie dagen, drie nachten. Ik deelde een kamer met twee oudere mannen die de hele dag sliepen. Het was van een wonderlijke intimiteit. ’s Nachts hoorden we elkaar wakker liggen, zagen we de lichtbundel uit de zaklamp van de nachtverpleging over de vloer glijden, zoekend: wie is het ditmaal? 

Je had het zwaar hè, vannacht, zei de man die naast me lag. We bekommerden ons om elkaar, ik zou bijna zeggen: we gaven om elkaar. 

Ik lag wakker achter de gesloten gordijnen rond mijn bed toen ik de nachtzuster aan een van mijn buurmannen, de oudste, de kwetsbaarste, hoorde vragen: U was bang gisteren, waar was u dan zo bang voor? En ik wilde zowel het antwoord souffleren als een hand tegen zijn mond drukken. Hij gaf niet direct antwoord. Toen zei hij: Gewoon, om te gaan. Achter het gordijn liepen de tranen over mijn wangen.

 

Ik kreeg een hartkatheterisatie. Er werd een buisje in de slagader in mijn pols gezet, een slangetje erdoor, contrastvloeistof erin, helemaal tot aan mijn hart. Ik focuste me op de verpleegkundige aan mijn rechterzijde, een beer van een vrouw met tattoos van stoere mannenkoppen in haar nek. Een gangleader. Als ik haar aan mijn kant heb komt alles goed, dacht ik.

 

Ik bleek geen hartaanval te hebben gehad, maar een SCAD, een scheur in de wand van een kransslagader. Een zeldzame aandoening die vooral (90%) voorkomt bij vrouwen onder de vijftig die fit zijn. Eigenlijk heb ik dus een gebroken hart, vatte ik het later samen voor een vriend. Mooooi, zei die.

 

Een dag later werd ik ontslagen. In de taxi naar huis, veilig naast een vriendin, zag de stad eruit als een herinnering. Mijn woning rook alsof ik terugkwam van vakantie. Op tafel lag de Von Staabs test, daar achtergelaten door een vriend die hem had geërfd van een oudtante die kinderpsycholoog was geweest: een grote doos met therapeutisch speelgoed uit de jaren zestig die ik vaak met afgunst bij hem thuis had bekeken. Hij had hem me geschonken. En als je erop uitgekeken bent schenk je hem maar aan een universiteitsmuseum, zei hij. 

Ik bekeek de poppetjes, streek jurkjes glad, zette hoedjes recht en vroeg me af wat ik hiermee aan moest, met dit verhaal. Gewoon opschrijven maar, dat leek me een goed begin.