maandag 8 augustus 2022

Apenliefde

‘Hij drinkt bij zijn moeder maar ook bij zijn grootmoeder,’ zei de vrouw met het lange grijze haar.

Ze was ongemerkt naderbij geslopen en had zich in ons gesprek gemengd. Toen we van de zeeleeuwen naar de gorilla’s liepen volgde ze ons. 
Eén gorilla lag opgekruld in een mand. ‘Ja, ze mist haar mannetje,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft een wond aan zijn voet en zit in afzondering. Als de rest van de groep weet dat hij gewond is nemen ze hem te grazen.’
‘Hm,’ zei mijn vriendin. Ik keek de andere kant op.

Ik moest denken aan Bokito en de vrouw die hem vier keer per week opzocht in Blijdorp. Ze hadden een speciale band. Niet alleen de vrouw vond dat, ook Bokito. Toen de vrouw met haar man verscheen, was Bokito over het hek gesprongen om zijn vrouw op te eisen. Hij sleepte haar mee en gaf haar meer dan honderd beten. Uit liefde.
 
We liepen verder, richting de wolven. ‘Is ze weg?’ fluisterde mijn vriendin, ‘of loopt ze nog achter ons aan.’
‘Weg,’ zei ik.
 
Het was zomeravond in Artis. Leuk, dan kon je de nachtdieren in beweging zien. Maar het nachtdierenverblijf zat op slot en de meeste andere dieren sliepen al. De wolf was onzichtbaar, net als de jaguar. Het stokstaartjesverblijf was leeg, in een opening in de muur hield één wakker stokstaartje de wacht. In het apenhuis was het doodstil. De chimpansees lagen in nesten van stro, sommige opgekruld, andere helemaal uitgestrekt. Vooraan bij het raam lag er een te dromen. Zijn achterpoot schokte licht.
‘Kijk ze eens lekker liggen,’ zei ik, ‘helemaal – ‘
‘… voor Pampus,’ zei een oudere vrouw die uit het donker tevoorschijn stapte. ‘Ze hebben allemaal hun eigen plekje, hè. Die daar bijvoorbeeld…’  
‘Beloof me één ding,’ zei mijn vriendin toen we naar buiten liepen, ‘dat als ik ooit zo’n apenvrouwtje dreig te worden, je me waarschuwt.’
 
Op lemurenland, waar de lemuren tussen de bezoekers rondlopen, was het nog ongewoon druk. Gekrijs, achter elkaar aan hollen. ‘Denk niet dat het wel meevalt,’ zei een vrouw in een Artis-T-shirt, ‘ze bijten echt heel hard en je hebt er een flinke wond van.’
Een groep jonge mensen stond om haar heen. Er was geen apenvrouwtje te bekennen.

woensdag 13 juli 2022

De Frietsteeg – de epiloog

Googelend naar iemand die mijn tas kan repareren zie ik de naam van de kleermaker waar ik tien jaar naast woonde, in de Frietsteeg, waar ik een gammele etage boven een patatkraam huurde en hij een piepkleine winkel met een werkruimte erboven waar je niet in rechtop kon staan, zoals de halve etage uit Being John Malkovich
Wat ik leerde in de Frietsteeg was dat alles met vier muren en plafond kan worden verhuurd, en dat dat ook gebeurt. 

De kleermaker zit niet meer in de Frietsteeg, zie ik, hij zit nu een paar straten bij mij vandaan. Ik besluit erheen te gaan. Hij weet misschien niet meer wie ik ben - of het is een ander - , maar mijn tas moet gerepareerd. 

Ik ben al negen jaar weg uit de Frietsteeg. Als ik in de binnenstad moet zijn loop ik er expres niet doorheen. Het is net als met een slechte relatie, je ziet het pas als je eruit bent. 

Ik parkeer mijn fiets voor de deur. Achter in de zaak zit een man achter een naaimachine. Hij kijkt op. ‘Buurvrouw!’ 
We lopen op elkaar af. Hij steekt een arm naar me uit en ik steek een arm naar hem uit, waarna we allebei aarzelen en elkaar dan wat ongemakkelijk op de schouders kloppen. Het is vreemd de kleermaker hier te zien. Het doet me denken aan die keer dat ik mijn tandarts in het zwembad zag, alsof ik per ongeluk getuige was van iets dat ik niet mocht zien.
Hij zit hier net een paar maanden, vertelt hij, de huur in de Frietsteeg was niet meer op te brengen.
‘Het werd corona, alle winkels moesten dicht, ik had geen inkomsten. Ik vroeg de huisbaas of er wat van de huur af kon, een beetje maar. Maar dat wilde hij niet. Ik betaalde hem elke maand 2000 euro, maar er kon niet een klein beetje af.’
‘Hij intimideerde me,’ zeg ik. ‘Ik had de huur omlaag gebracht met behulp van de huurcommissie, toen begon het. Hij belde me op. Wij hebben een afspraak, zei hij, jij betaalt zoveel huur. Soms stond hij opeens voor mijn deur, zonder aan te bellen, dan schrok ik me rot. Er zat een keer kauwgum in mijn slot. Toen ik hem eens mailde met een reparatieverzoek mailde hij terug: mevrouw, schrijft u boekjes?’

Ik herinner me opeens alles weer. Hoe hij de verdieping boven me verhuurde als illegaal hotel. Elk weekend blowende en zuipende toeristen. De gemeente greep na een jaar pas in, maar gaf geen boete, alleen een waarschuwing ‘want misschien wist de verhuurder niet dat het niet mocht.’ Reparaties werden niet uitgevoerd. De trapleuning lag er altijd af, op sommige stopcontacten stond geen stroom en als het regende stroomde het langs de muren naar binnen.
‘Misschien toch eens aan de verhuurder vragen of hij het dak repareert,’ zei mijn verzekeringsmaatschappij toen ze voor de derde keer langskwamen om de schade op te nemen.

‘Weet je nog van die lekkage?’ vraag ik de kleermaker.
‘Ja, dat was erg.’
‘De huisbaas gaf niet thuis. Ik belde een loodgieter, die wilde komen met een ladderwagen. Misschien moet ik eerst even zeggen hoeveel dat kost, zei hij aan de telefoon. Dat hoeft niet, riep ik, je moet zo snel mogelijk komen en de kosten zijn voor de huisbaas.’
De kleermaker knikt. ‘Het kostte 2000 euro.’
‘1675. Ik heb het voorgeschoten. En de huisbaas wilde het niet betalen. De huurcommissie zei dat ik het dan maar moest inhouden op de huur. Een jaar later ging de cv-ketel kapot, zelfde verhaal. Ik stond continu rood vanwege alle reparaties.’

De kleermaker en ik vertellen elkaar verhalen die de ander al kent, om onszelf eraan te herinneren dat het nu anekdotes zijn, punt erachter, klaar.
‘Ik had zoveel stress daar,’ zegt hij.
‘Hij was miljonair,’ zeg ik.
‘Hij bezat de halve binnenstad.’
‘Hij was van adel.’
‘Wist je,’ zegt de kleermaker dan, ‘dat hij dood is?’
‘Hij was toch nog niet zo oud?’
‘Nee. Kanker. Binnen drie maanden was het gedaan.’
Ik open mijn mond om iets te zeggen, ik sluit hem weer.
‘Koffie?’ vraagt de kleermaker.
‘Lekker.’

vrijdag 10 juni 2022

Ovenvast porselein

Ik was geslaagd. Er was geen opluchting, geen verbazing, ik had het wel verwacht. Ergens in de middag werd ik geroepen: Marieke, telefoon! De telefoon hing op de gang, ernaast hing een tikkenteller en een potloodje aan een touwtje waarmee je je naam en het gebelde aantal tikken op een lijst moest invullen. Er waren mensen die voor tien tikken belden, naar de plek waar ze elk weekend met een volle tas wasgoed naartoe reisden en die ze ondanks alles ‘thuis’ bleven noemen, iets dat me woedend maakte, zonder dat ik precies begreep waarom.

Zeven maanden woonde ik nu op eenheid 24, Kamer 146. Mijn medebewoners waren minstens tien jaar ouder dan ik. De jongens hadden baarden, de meisjes droegen zelfgebreide truien. ’s Avonds hoorde ik ze discussiëren in de keuken. Ik kwam vrijwel nooit van mijn kamer, ik leefde op brood met ontbijtkoek en maakte soep in mijn waterkoker, totdat die het met een rokerig plofje begaf. Als ik naar de wc moest legde ik eerst mijn oor tegen de deur om me ervan te verzekeren dat er niemand op de gang was. Ik keek televisie met het geluid uit.
 
Nadat de gymlerares die tevens mijn mentor was had gebeld om te vertellen dat ik was geslaagd belde ik twee klasgenoten (2 x 1 tik), die ook allebei waren geslaagd. Daarna wist ik niet meer wat ik moest doen.
 
De diploma-uitreiking was een week later. Tijdens de ceremonie zat ik naast een vriendin, haar ouders en haar broertje. Ook naderhand, toen er drankjes werden geserveerd in de aula, bleef ik dicht bij ze in de buurt. Ik wilde niet dat iemand zou zien dat er voor mij niemand was gekomen.
 
In groepjes van zes werden we naar voren geroepen. Over ieder van ons werd iets bijzonders verteld. Ik vreesde dat het bij mij mijn woonsituatie zou zijn, dat mijn mentor iets zou gaan zeggen als: ondanks dat je halverwege het jaar op kamers ging, heb je je examen toch gehaald. Ik wist niet in hoeverre docenten ervan op de hoogte waren, ik wist nooit wie wat wist. Toen ik aan de beurt was vertelde de mentor iets nietszeggends over me, wat me opluchtte, maar ook teleurstelde.
 
Grote delen van de middag had ik niets te doen en liep ik heen en weer tussen de aula en de wc’s om dat te verhullen. Mijn vriendin kreeg een gouden kettinkje van haar ouders met bedeltjes eraan die geloof, hoop en liefde uitbeeldden en toen zij vertrokken om ergens taart te gaan eten en daarna naar de Chinees, klapte ik mijn standaard in en fietste ik terug naar de eenheid.
 
Nog diezelfde week begon ik met werken in een winkel in de Kalverstraat. Ze verkochten er restpartijen ovenvast porselein. Ik haalde de dozen leeg en vulde de stellingkasten en als het druk was hield ik achterin de winkel een oogje in het zeil. Soms hoorde ik voor in de zaak een van de eigenaren schreeuwen, waarna hij achter een winkeldief aanging. Ik vond lege portemonnees tussen het porselein. Voor in de winkel zat een stroopwafelloket. De stroopwafelbakker vroeg me keer op keer mee uit, maar ik zei altijd nee. Hij bleef aandringen, hij vroeg waarom niet. Ik dacht: omdat ik beter ben dan dit. Maar dat kon ik niet hardop zeggen.

vrijdag 13 mei 2022

Geen verkrachting

 

In de laatste aflevering van de podcastserie This American Life vertelt de Amerikaanse hoogleraar psychologie Mary Koss hoe ze aan het begin van haar carrière een onderzoek opzette over verkrachting. Ze ondervroeg vrouwelijke studenten op de universiteit waaraan ze was verbonden of ze ooit verkracht waren. Vrijwel niemand zei ja. Verkrachting, was de heersende gedachte, was een zeer zeldzaam fenomeen, het kwam bijna niet voor en werd alleen gepraktiseerd door enge mannen die in bosjes lagen te wachten op weerloze vrouwen.  

Het waren de jaren zeventig en er was nooit wetenschappelijk onderzoek gedaan naar verkrachting. Mary Koss was de eerste. Ze besloot de vraagstelling aan te passen. Heeft iemand wel eens geweld gebruikt of met geweld gedreigd om seks af te dwingen terwijl je dat niet wilde? 

Een op de vier vrouwen beantwoordde de vragen met ja. Ze beschreven het als het ergste dat ze ooit was overkomen en gaven aan er nog steeds veel last van te hebben. Maar ze noemden het geen verkrachting.

 

Het deed me denken aan een slachtoffer van Ali B. in de documentaire van BOOS over seksueel misbruik bij The Voice. De vrouw zei dat ze niet verkracht was, maar toen ze beschreef wat de Voice-coach bij haar had gedaan, klonk dat toch als een verkrachting. Toen de interviewer dat tegen haar zei, aarzelde ze. Ze vond het zo’n groot woord. Maar misschien, zei ze tenslotte, was het dat toch wel geweest.

 

Zeven jaar na haar baanbrekende onderzoek voerden Koss en haar collega-onderzoekers het onderzoek nog eens uit, nu landelijk. De uitkomst bleef hetzelfde: weer antwoordde een op de vier vrouwen op de vraag of ze wel eens was gepenetreerd tegen haar wil: Ja, dat is wel gebeurd, maar ik ben nooit verkracht.

En, zegt Mary Koss in de uitzending, dat is nu helaas nog steeds zo. Je zou verwachten dat er inmiddels wel wat veranderd was, maar dat is niet het geval. Vrouwen noemen het nog steeds geen verkrachting als ze zijn verkracht.

 

Ook mannen die verkrachten noemen het zelden zo. Koss: Tijdens een politieverhoor zeggen verkrachters vaak: Ik weet niet wat ik hier doe, ik word beschuldigd van verkrachting, maar ik ben geen verkrachter. Als ze dan worden gewezen op de beschrijving van verkrachting in het strafboek trekken ze wit weg omdat ze niet wisten dat dat verkrachting was.

 

Dat deed me denken aan Johan Derksen die vertelde ooit een bewusteloze vrouw te hebben gepenetreerd met een kaars, en aan alle mannen, maar ook vrouwen, die daarna over elkaar heen buitelden om te roepen dat ze het overdreven vonden dat dit een verkrachting werd genoemd. (Artikel 242 Wetboek van Strafrecht: Bij verkrachting gaat het om (…) een ander dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.).

Derksen zelf meende dat hij het slachtoffer was geworden van ‘de cancel- en wokecultuur’, hij had zich kwetsbaar opgesteld door iets over zichzelf te vertellen dat ‘niet mooi’ was. Hij had daarom recht op een beloning, niet op straf, vond hij.

 

Mary Koss zegt: Er zal pas wat veranderen als mannen erkennen dat dat wat ze hebben gedaan geldt als verkrachting.

 

Tot slot: tijdens het schrijven van dit stukje zocht ik telkens naar een synoniem voor verkrachting, ik had het gevoel dat ik het woord zelf te vaak gebruikte en het is een lelijk woord, vind ik, een woord waar ik altijd een beetje van schrik, maar een synoniem vond ik niet, dus ik heb alles laten staan. Het is belangrijk dat we de dingen bij de naam noemen, dat we er niet omheen draaien omdat we bang zijn dat er iemand van schrikt. Het is belangrijk dat we duidelijk zijn.