vrijdag 17 september 2021

Hoe het begon

Ik was voor het eerst in therapie en wilde een aantal jeugdherinneringen opschrijven, zo sec mogelijk, zonder de emoties te benoemen. Ik schreef altijd al, losse stukjes, nooit een compleet verhaal en dat deed ik nu ook.
Toen ik iets af had liet ik het aan mijn vriend lezen, in de hoop dat hij me beter zou begrijpen (dat hij alles zou begrijpen). Hij las het en zei: dit is het beste wat je ooit hebt geschreven.
Ik ging door met schrijven, meer van dit soort stukjes. Toen gebeurde er iets verschrikkelijks. Of misschien moet ik zeggen iets geweldigs. Mijn computer crashte en ik was in één klap alles kwijt. Ik kocht een nieuwe computer, installeerde WordPerfect en wilde de stukjes onmiddellijk herproduceren. Maar ik wist dat het nooit zou lukken. Ik besloot voor een andere vorm te kiezen. Ik nam één gebeurtenis en maakte er een verhaal van.

Ik was van huis weggelopen. Er was een onstuimige ochtend aan vooraf gegaan. De volgende keer sla ik je dood, had mijn vader gezegd, heel rustig, zoals hij dat deed. Ik was naar mijn kamer gegaan. Ik wist dat ik weg moest. Maar ik wilde niet. Ik wilde stilletjes wachten tot het over zou gaan, zoals ik altijd deed. Ik moest weg. Ik heb me razendsnel aangekleed (ik liep nog in mijn nachtpon), ben de trap af geslopen, de deur uit en zette het op een rennen. Het was het engste en het meest hoopvolle dat ik ooit deed.

Dat schreef ik op. Ik schreef wat eraan vooraf was gegaan en wat erop volgde, en toen had ik wel zo ongeveer een verhaal, dacht ik. Daarna schreef ik nog een verhaal, iets luchtigs over twee mensen met heel verschillende levens die door het toeval bij elkaar werden gebracht. Het was bedacht en gekunsteld, maar ik dacht dat het literair was.

Ik stuurde beide verhalen op naar een klein literair tijdschrift. Ik hoorde niks en dat vond ik  logisch. In de weken daarna probeerde ik te vergeten dat ik verhalen had opgestuurd, ik schaamde me als ik eraan dacht. Toen kwam er opeens een brief: ze wilden mijn verhalen publiceren.

De verhalen werden gepubliceerd, niemand las ze, en verder gebeurde er niks. Een paar maanden na de publicatie van het tweede verhaal ging ik langs bij de hoofdredacteur van het kleine literaire tijdschrift om extra exemplaren te kopen. Hij zei: Er is een brief voor je gekomen. Hij gaf me een opengescheurde envelop waarin een kleinere envelop zat waarop stond: aan Marieke Groen. Het was een brief van een redacteur van een grote uitgeverij. Hij had mijn verhalen gelezen, vond ze goed en wilde meer van me lezen.

Is dit normaal? vroeg ik. Krijgen mensen die voor het eerst in jullie tijdschrift publiceren altijd een brief van een uitgever?
Nee, zei hij, dit is de eerste keer.
Ik vroeg hem wat ik moest doen. Niet te enthousiast reageren, zei hij, een paar weken wachten. (In de wereld van de kleine literaire tijdschriften heerste een enorm wantrouwen jegens uitgevers, maar dat wist ik toen nog niet.)
Ik wachtte een paar weken, toen stuurde ik een brief terug. Ik heb niet meer, schreef ik, ik heb alleen deze twee verhalen.
De redacteur van de grote uitgeverij nodigde me uit voor een gesprek. Hij vond dat ene verhaal over dat meisje heel goed, maar dat over die twee mensen die per toeval bij elkaar kwamen vond hij te bedacht. Hij zei: schrijf rustig verder en als je een stuk of vijf verhalen hebt hoor ik wel weer van je.

Een stuk of vijf verhalen, daar zou ik, rekende ik uit, zo’n drie jaar over doen. Ik had geen idee hoe je een verhaal schreef, dat ik er twee had voltooid had meer met toeval dan met vaardigheden te maken. Ik besloot een cursus te gaan volgen aan de schrijversvakschool. De docent daar wilde mijn verhalen laten lezen aan zijn uitgever. Maar die vond het niks en ik wist dat hij gelijk had; ik was geen schrijver, ik deed alleen maar alsof.
Toch bleef ik schrijven. Nóg twee verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften en allebei de keren werd de publicatie gevolgd door een brief van een geïnteresseerde uitgever. Een van hen nodigde me uit voor koffie en toen ik vertelde dat ik al meer uitgevers had gesproken (niet uit strategisch oogpunt, maar om aan te tonen dat ik heus wel wist waar Abraham de mosterd haalde) bood hij me ter plekke een contract aan met een flink voorschot.
Denk er maar even over na, zei hij.

Thuis belde ik de hoofdredacteur van het kleine literaire tijdschrift en vroeg hem om advies.
Niet meteen ja zeggen, zei hij, en een hoger voorschot vragen.
Dat deed ik. Ik kreeg een hoger voorschot en een contract waarin stond dat mijn verhalenbundel zes maanden later zou verschijnen.

Die zes maanden tussen tekenen en publicatie, toen ik nog een belofte was, ook voor mezelf, was de beste tijd. Soms wou ik dat ik daar had kunnen blijven, ergens tussen droom en daad.

Een paar weken voordat mijn debuut uitkwam interviewde ik een bekende schrijver. Hij gaf me een advies: niet denken dat het boek je leven gaat veranderen, want dat doet het niet.
Ik geloofde hem niet.


woensdag 28 juli 2021

Been

Ik zag een documentaire over Eilish en Katie Holton die als Siamese tweeling ter wereld kwamen. Niet in 1863 in een gehucht in de Balkan dat inmiddels van de kaart is gevaagd, maar in 1988 in het zuid-westen van Ierland. 

Eilish en Katie zaten vanaf de hals aan elkaar, ze deelden twee benen en een bekken maar hadden elk een eigen hart en een stel longen. Ook hadden ze allebei een eigen arm. Achter hun rug wriemelde, als een staart, twee met elkaar verkleefde armpjes.
Wat je zag was een meisje met twee hoofden.

Hun moeder zei: ‘We behandelen ze niet anders dan de andere kinderen, daar worden het maar verwende nesten van.’
Hun vader beaamde dat, hoewel je kon zien dat hij ze wel graag had verwend. Hij had melancholische ogen en doorlopende wenkbrauwen, ook wel een monobrow of unibrow genoemd. Het was een detail, maar wel een schitterend detail.

Toen Katie en Eilish kleuters werden viel hun engelachtige schoonheid op. Ze hadden blonde krullen en grote grijze ogen met lange donkere wimpers. Ze konden niet lopen, de twee benen die ze deelden waren niet in staat hun gewicht te dragen, maar op een of andere manier droeg dat alleen maar bij aan hun engelachtigheid.

Toen ze vier jaar oud waren werd besloten ze te scheiden. Katie had een zwak hart en als zij zou overlijden zou ze Eilish met zich meenemen. Een kinderarts in Londen zou de operatie uitvoeren. Met behulp van twee lappenpoppen met klittenband lieten de ouders de tweeling en de oudere kinderen zien wat er ging gebeuren. Katie volgde alles zeer geïnteresseerd, Eilish kon het niet echt boeien. 

De operatie duurde bijna 24 uur. Op de eerste beelden erna ligt Eilish in haar eentje in een ziekenhuisbed, haar engelenogen groot en leeg.
‘Ze kijkt steeds opzij om te zien waar haar zusje is,’ zei de moeder.
Katie had het niet gehaald. 

Na de operatie stopte Eilish met praten. Het duurde maanden voordat ze weer wat wilde zeggen. Tegen de arts die haar had geopereerd sprak ze helemaal niet meer.
‘Ik denk dat ze boos op me is omdat ik haar zusje heb laten verdwijnen,’ zei hij met een berouwvolle glimlach. Hij zei niet: Ik denk dat ze bang is dat ik haar ook laat verdwijnen, wat ik meer voor de hand vond liggen.

Eilish leefde verder met één been en anderhalve arm. Ze was klein voor haar leeftijd. Ze droeg een speciaal korset met een kunstbeen en een kunstbekken en liep met een kruk. Waar ze eerst overcompleet was, zag je nu alleen nog maar wat er ontbrak.
Soms vroeg ze aan haar moeder: ‘Waarom heb ik geen twee benen?’
‘Omdat je die niet hebt,’ antwoordde haar moeder dan.

Elke zondag gingen ze met z’n allen naar het graf van Katie. De oudere kinderen plukten madeliefjes en legden die op het graf, Eilish besteedde er nauwelijks aandacht aan. Volgens haar moeder had ze het vrijwel nooit over haar zusje. ‘Wat weet een mens nog van de eerste drie jaar van zijn leven.’ 

Op haar negende kreeg Eilish een nieuw kunstbeen uit Amerika. Omdat hij dacht dat het haar zou helpen bij de acceptatie van de prothese vroeg de arts of ze het been een naam wilde geven. Ze noemde het Katie. 


vrijdag 18 juni 2021

Monster

Het was half elf in de ochtend en ik stond voor het stoplicht. Ik ging taart eten met een vriendin om onze eerste prik te vieren. ‘Bij de tweede doen we Prosecco,’ had zij gezegd. Terwijl ik wachtte voor het rode licht voegden zich anderen bij me. Hoeveel anderen zou ik later pas merken, op dat moment waren het er een paar. 
Het stoplicht sprong op groen en we staken over. Toen ik afsloeg hoorde ik achter me iemand gillen. Oehoehoe, klonk het. Ik remde, stopte en zag nog net hoe een oudere dame van haar fiets viel. Eigenlijk was het niet echt vallen, het was meer alsof ze het opgaf. Ze liet haar stuur los waarna de fiets opzij viel en zij zichzelf op het asfalt liet zakken. 
Onmiddellijk stoven we op haar op af, ik en de anderen die, zag ik nu, uit drie vrouwen van een jaar of zestig bestonden. 
Ik hielp de oude vrouw overeind. ‘Gaat het?’ 
Ze knikte. Toen herstelde ze zich, keek me boos aan en zei: ‘U sloeg zomaar af!’
‘Ik stak wel mijn hand uit,’ zei ik voorzichtig.
‘Twee seconden van tevoren. Veel te kort,’ snauwde een van de andere vrouwen. Ze had zwartgeverfd haar dat als een douchemuts rond haar hoofd zat. ‘U sneed haar af.’
‘Sorry, dat had ik echt niet in de gaten.’ Ik vroeg me af of het waar was, het klonk niet als iets dat ik zou kunnen doen. Misschien was mijn inschattingsvermogen aan het achteruitgaan. Misschien was het iets dat bij het ouder worden hoorde.
De zwartharige vroeg nogmaals aan de oude vrouw of het ging. Die knikte weer, het ging prima. 
‘Ja, nu misschien,’ zei de ander, ‘maar u zult zien, over een uurtje gaat het helemaal mis.’
De andere twee vrouwen, die nog niks hadden gezegd of gedaan, mompelend nu instemmend.
De oude vrouw pakte haar fiets aan en maakte aanstalten om verder te fietsen. 
‘Daar kunt u even gaan zitten,’ wees de douchemuts.
We keken allemaal naar de plek die ze aanwees. Er was niets bijzonders te zien, geen bankje, geen muurtje, gewoon de stoep. Terwijl we de andere kant op keken was de oude vrouw op haar fiets gestapt en zonder iets te zeggen weggereden.
‘Ga achter haar aan,’ zei de zwartharige tegen mij. ‘Blijf bij haar.’ Het was geen verzoek, het was een opdracht.
Ik keek de oude vrouw na, ze was al bijna de hoek om. ‘Ik heb eigenlijk eh, een afspraak,’ zei ik. 
Ik stak het fietspad over naar mijn fiets en veroorzaakte nog net geen nieuwe aanrijding. Ik voelde de andere vrouwen kijken. Daar gaat ze, het meedogenloze monster dat weerloze oude vrouwtjes van hun fiets rijdt. Ik kon het ze horen denken.


vrijdag 14 mei 2021

Operatie Corona

Ik ben geen overdreven aanrakerig type. Toen in maart vorig jaar de eerste coronamaatregelen werden ingevoerd – 1,5 meter afstand houden en geen handen schudden – behoorde ik tot de groep alleenwonende singles, ook wel bekend als zij die niemand hadden om mee te knuffelen. De nadruk die op knuffelen werd gelegd vond ik overdreven. Ik hunkerde niet naar aanrakingen, huidhonger was voor mij synoniem aan aanstelleritis. Toen werd ik ziek.

4 augustus

Het begon met een bloeding die lijkt op een gewone menstruatie. Alleen is dat niet gewoon bij iemand die al jaren in de overgang is, dus ik maak een afspraak bij de huisarts. Het is de eerste keer dat ik met een mondkapje op ergens naar binnen ga en het voelt surreëel, ik heb mijn mondkapje alleen nog maar thuis voor de spiegel gedragen – en een selfie gemaakt voor Instagram.

De huisarts wil een uitstrijkje maken. Terwijl ik met een ontbloot onderlijf  en een bedekt gezicht op de onderzoekstafel lig, opent de man voorzichtig met zijn vingers mijn vagina. Het is het eerste lichamelijk contact in zes maanden – iets dat ik in gedachten onmiddellijk probeer te ontkennen; was ik niet nog naar de kapper geweest, had niet nog iemand me per ongeluk op de schouder geslagen? Nee. Ik ben al een half jaar niet aangeraakt, door niemand.

Na afloop vertel ik het aan een vriendin die net als ik alleen is. We lachen erom. Dan vertelt mijn vriendin dat ze in het voorjaar in de lift had gestaan met een collega. Vlak daarna werd ze ziek, ze had zich nog nooit zo beroerd gevoeld. Het duurde twee dagen, toen was ze weer beter. Wat ze niet wist was dat haar collega inmiddels op de IC lag en later zou overlijden. ‘Ik denk dat ik ook corona had,’ zegt mijn vriendin. We zijn er allebei even stil van. Daarna spreken we af dat we voortaan vaker een beroep op de ander zullen doen.  

 

2 september

De uitslag van het uitstrijkje is goed, maar mijn huisarts wil dat ik ook nog een echo laat maken. Standaardprocedure. Hij noemt een aantal ziekenhuizen waar ik terecht kan, maar niet mijn vaste ziekenhuis, het OLVG. ‘Misschien is het veiliger om naar een kleiner ziekenhuis te gaan,’ zegt hij voorzichtig. Ondanks alles schrik ik er toch van.

In de kleine kliniek waar ik beland zijn de gangen en wachtkamers zijn leeg. De gynaecoloog vraagt me zelf de deur dicht te doen zodat zij hem niet aan hoeft te raken. De stoel waarop ik plaatsneem staat tegen de muur, een meter van haar bureau af. We dragen allebei een mondkapje en ik heb mijn handen twee maal gedesinfecteerd: bij binnenkomst en na het naar de wc-gaan nog een keer. Wat een gedoe voor iets dat standard procedure is. Had ik die echo niet kunnen skippen?

Maar zodra de arts de echokop heeft ingebracht en mijn baarmoeder op het beeldscherm verschijnt, blijkt dat het goed is dat ik ben gekomen. Een van mijn eileiders is opvallend dik en ernaast zit een donker vlekje. ‘Dat kan van alles zijn,’ zegt ze. Terwijl ze verder kijkt in mijn binnenste, leunt haar arm licht tegen de buitenkant van mijn blote been. Het gevoel verrast me. De warmte, de zachtheid, het gevoel van huid op huid, ik heb al heel lang niet zoiets gevoeld. Ik merk nu pas hoe lang.

 

4 november    

‘Ah, zo ziet u eruit.’ De nieuwe gynaecoloog klikt op de pasfoto in mijn medisch dossier. Ze heeft mijn intiemste delen gezien, maar niet mijn gezicht.

Na drie afspraken in de kleine kliniek ben ik alsnog in het OLVG belandt, daar zijn ze beter uitgerust. De gynaecoloog vermoedt een kleine poliep in mijn baarmoeder en wil een hysteroscopie uitvoeren. Dat kan gelukkig poliklinisch, want er worden alleen nog spoedeisende operaties uitgevoerd. Alle andere ingrepen zijn voor onbepaalde tijd uitgesteld.

‘Het is een enorme toestand,’ zegt de gynaecoloog. ‘Ik krijg boze mensen aan de telefoon. Maar we kunnen niet anders, de IC’s liggen vol. Mensen zeggen: dan zet je toch meer verpleegkundigen in? Maar die zijn er niet. Of ze zeggen: waarom bouwen jullie geen speciale coronaklinieken? Maar wie moeten daar werken dan? Er is al te weinig personeel in de zorg. En dan zeggen die lui van Viruswaanzin dat de kwetsbaren maar binnen moeten blijven zodat de rest gewoon door kan met zijn leven. Maar de kwetsbaren dat zijn – ’ ze somt ze op haar vingers op – ‘de ouderen, de diabetici, de hartpatiënten, de mensen met longziekten, de kankerpatiënten, de mensen met ernstig overgewicht... Ze hebben geen idee waar ze het over hebben.’ Even valt ze uit haar rol en zijn we twee mensen die tegenover elkaar hun bezorgdheid en frustratie over de situatie uiten. Het doet me op een merkwaardige manier goed.

 

27 november

Het mondkapje benauwt me. Ik lig op een gynaecologische stoel onder felle operatielampen terwijl een arts in opleiding onder toeziend oog van de gynaecoloog de hysteroscopie uitvoert. Ze hebben een poliep ontdekt, die waarschijnlijk verantwoordelijk was voor de bloedingen. Hij wordt ter plekke weggesneden. Ondanks de pijnstilling is het pijnlijk, ik voel me eenzaam en niet gezien. Het is alsof ik in tweeën ben gedeeld: beneden ligt het deel van mijn lichaam waarin wordt geprikt en gesneden, en een halve meter hoger lig ik, deels onzichtbaar achter een stuk stof dat mijn halve gezicht bedekt, en slecht verstaanbaar. Een mondkapje ontmenselijkt. Plotseling legt de arts een hand op mijn bovenarm en geeft me een bemoedigend kneepje. Het duurt maar een seconde, maar het gevoel is overweldigend. Troostend, verwarmend. Nog dagen erna voel ik het, alsof de afdruk in mijn huid gebrand staat.

 

10 december

Ik wacht op de uitslag van het weefselonderzoek. Het is geen actief wachten, ik maak me geen zorgen, ik weet dat zo’n onderzoek ook standaardprocedure is. Intussen googel ik de gynaecoloog en de arts in opleiding. Ik wil weten hoe ze er in het echt uitzien, zonder mondkapje. Het is meer dan gewone nieuwsgierigheid, het is een verlangen om de mens achter de medische handelingen zien. Tot mijn verbazing zien ze er allebei heel anders uit dan ik had verwacht.

 

15 december

Er zijn veranderende cellen aangetroffen in het weggenomen weefsel. Cellen die op weg zijn om kankercellen te worden. Mijn baarmoeder en eileiders zullen preventief  moeten worden verwijderd en misschien (40% kans) mijn eierstokken ook. De arts in opleiding legt het allemaal geduldig uit en vraagt dan of ik nog vragen hebt. Ik kan niks verzinnen. Overdonderd, met de telefoon nog in mijn hand blijf ik staan. Ik wil iemand bellen, maar wie? Iemand die meteen opneemt, ik wil geen voicemail nu, en ik wil niet een halve dag moeten wachten voor ik teruggebeld word. Maar eigenlijk wil ik iemand zien. Ik wil schuilen. Ik wil armen om me heen. Mag niet, kan niet. Ik zoek de poes, knuffel haar.

 

23 december

Het OLVG is gestopt met het inplannen van operaties. Er is geen capaciteit, de IC ligt vol. ‘Het kan dus nog wel even duren voordat je geopereerd wordt,’ vertelt de arts in opleiding als ik haar spreek in een bijna leeg ziekenhuis. ‘Jij hebt natuurlijk wel voorrang op iemand met een verzakte baarmoeder.’

De hiërarchie van ellende.

Ik vind het niet erg dat mijn operatie wordt uitgesteld, dat geeft me meer tijd om te wennen aan het idee. Het vergroot bovendien de kans dat ik straks gevaccineerd de OK in ga. Dat vind ik wel een veilig idee.

We nemen de details van de operatie door. Het wordt een kijkoperatie. De arts in opleiding vertelt me dat ik een ‘mooie, kleine, gave’ baarmoeder heb en dat ze daardoor geen moeilijkheden verwachten. Omdat ik al in de overgang ben zal de ingreep geen grote hormonale veranderingen teweeg brengen. Enigszins gerustgesteld verlaat ik het ziekenhuis. Op weg naar huis doe ik kerstinkopen voor één persoon. De gedeeltelijke lockdown blijft ook tijdens de feestdagen van kracht en de horeca is nog steeds dicht.

 

4 januari

De planner van de OK belt: ‘Goedemorgen, we zijn weer begonnen met het inplannen van operaties en ik mag u inplannen.’ Ze klinkt een beetje buiten adem. ‘25 januari bent u aan de beurt. We weten natuurlijk niet wat er de komende weken gaat gebeuren, dus er is altijd een kans dat het niet doorgaat.’

Ik luister, knik, stel vragen en huil geruisloos, want opeens gaat het wel heel rap. Ik ben nog niet gewend aan het idee, ik ben nog steeds in shock als ik eraan denk dat mijn ‘mooie, gave’ baarmoeder eruit moet, ik moet mijn vrienden nog vertellen dat ik ze nodig heb. Na de operatie mag ik vier weken niet tillen, niet fietsen en geen zwaar huishoudelijk werk doen. Mijn verzoek om thuishulp is afgewezen; zolang ik mensen om me heen heb die me kunnen helpen ben ik niet hulpbehoevend genoeg. Ik zal mijn vrienden moeten vragen om te komen schoonmaken en voor me te komen zorgen. Daar zie ik tegen op, ik ben gewend om alles zelf te doen, niet om om hulp te vragen.

 

23 januari

De avondklok is ingegaan. Ook zijn de maatregelen voor bezoek verder aangescherpt: voortaan mogen we nog maar één bezoeker per dag ontvangen. Ik weet nu al dat ik het maximum zal gaan overschrijden. Acht vrienden en buren zullen me door de eerste weken heen helpen. Ik heb een rooster gemaakt en een enorme voorraad mondkapjes, handschoenen en desinfecterende doekjes en gels aangelegd. Ik download het formulier ‘Eigen verklaring avondklok’ voor het geval mijn vrienden-verzorgers nog na negenen over straat moeten. Als ze worden aangehouden zullen ze moeten liegen dat het een noodgeval is, want koken en schoonmaakwerk verrichten voor een herstellende vriendin blijkt geen reden te zijn om je na de avondklok voor naar buiten te begeven.

Het ziekenhuis belt nu dagelijks met updates of informatie, soms al om acht uur ’s morgens, een enkele keer zelfs in het weekend. Het is duidelijk: er wordt daar keihard gewerkt. Toch krijg ik geen moment het gevoel dat ze het te druk hebben voor mijn vragen, integendeel, er is volop tijd en aandacht voor me.

 

25 januari  

In het ziekenhuis deel ik een kamer met twee vrouwen waarvan er een aan een stuk door ligt te hoesten. Waarschijnlijk vanwege de beademingsbuis die in haar keel heeft gezeten, maar ik merk dat ik er toch niet helemaal gerust op ben. Patiënten dragen als enigen geen mondkapje. Twee dagen voor opname zijn we getest op het virus, maar in twee dagen kan er natuurlijk nog van alles gebeuren. Ik weet dat het besmettingspercentage onder zorgpersoneel hoog is. Zij zijn de frontsoldaten, het kanonnenvlees. Ze werken onder enorme druk. Maar als patiënt merk je daar niks van, al het personeel is opgewekt en geduldig, ze lijken onvermoeibaar.

Buiten daarentegen wordt de sfeer steeds grimmiger. Op verschillende plaatsen in het land zijn de afgelopen dagen ziekenhuizen bestormd door relschoppers die het niet eens zijn met de avondklok. In Amsterdam werden winkels geplunderd. ‘Doe voorzichtig,’ hoor ik iemand zeggen tegen een verpleegkundige wier dienst is afgelopen. Laat op de avond vang ik een gesprek op tussen twee verpleegkundigen die voor het raam naar buiten staan te kijken. Achter ze zie ik een traag bewegende sliert lichtjes. ‘Dat zullen toch niet allemaal mensen zijn met een vitaal beroep?’ vraagt de een. ‘Dat lijkt me niet?’ zegt de ander vertwijfeld.

           

26 januari

De operatie is goed gegaan en ik herstel vlot. Twee tot vier opnamendagen staan er normaliter voor een hysterectomie, nu is dat één dag. Maar het gaat zo goed, dat ik nog geen vierentwintig uur na de operatie al naar huis mag, het liefst zo snel mogelijk, zodat mijn bed weer vrijkomt.

De vriendin met wie ik heb afgesproken dat we vaker een beroep op elkaar te zullen doen komt me ophalen. Ze heeft haar werk ervoor moeten afzeggen en haar dochter alleen thuis moeten laten. God ik ben zo dankbaar. Dankbaar voor iedereen die me overeind houdt en gaat houden de komende tijd.

Thuis overtreed ik al meteen de regel van maximaal één bezoeker per dag: drie mensen zijn er nodig om ervoor te zorgen dat ik de eerste 24 uur niet alleen ben. De eerste haalt me op uit het ziekenhuis, de tweede blijft ’s nachts bij me en nummer drie komt de volgende morgen als nummer twee naar zijn werk is vertrokken. Ook daarna is het een komen en gaan van vrienden-slash-verzorgers. Bijna een jaar heb ik geen bezoek gehad en sprak ik alleen met mensen af in de buitenlucht, nu wordt mijn deur platgelopen – terwijl ik nu op mijn kwetsbaarst ben. Het voelt op z’n minst wat tegenstrijdig.

 

30 januari

Voor het eerst begint de anderhalvemeterregel me te storen. Misschien komt het door de overvloed van fysiek contact in het ziekenhuis – van de hulp met aankleden en de ondersteunende armen tijdens een wandelingetje, tot het natte waslapje dat na het overgeven op mijn voorhoofd werd gelegd – of misschien is het de intimiteit van verzorgd worden in je eigen huis, maar het afstand houden voelt opeens weer net zo onnatuurlijk als in maart vorig jaar. Als iemand met een mondkapje voor mijn woning betreedt, ervaar ik dat bijna als een afwijzing, alsof het een spandoek is waarop staat: blijf uit mijn buurt!

Door afstand te houden beschermen we onszelf, maar missen we ook de bescherming van anderen bij wie we kunnen schuilen voor angst en pijn. Huidhonger is niet de hysterische drang om te knuffelen, het is de behoefte aan een aanraking als je je alleen voelt. Soms is een kneepje in je arm al voldoende.

 

14 februari

Mijn vrienden zijn vertrokken, het is stil in huis. Ik mag weer zelf stofzuigen en boodschappen doen. Ondanks de zorgen en de stress, het fysieke ongemak, de onzekerheid en de beperkingen, heb ik de periode die achter me ligt vooral als positief ervaren. Vriendschappen hebben zich verdiept, buren hebben hun waarde bewezen. We moesten om een pandemie heen werken en ons aanpassen aan de constant veranderende regels, en dat ging prima. Niemand klaagde, niemand had het over huidhonger. We vonden andere manieren om dichter bij elkaar te kunnen komen, in gesprekken, in het aanbieden – en aanvaarden – van hulp en soms in het ombuigen van de regels. Maar wat ook duidelijk werd: de behoefte aan nabijheid bleef. De vriendin die even op het voeteneinde van mijn bed kwam zitten; de arts die mijn pasfoto aanklikte; ikzelf in mijn verlangen om te weten hoe mijn artsen er achter hun mondkapje uitzagen: allemaal zochten we naar een manier om, ondanks de beperkingen die het virus ons oplegde, dichter bij de ander te komen. Omdat dat menselijk is. Omdat dit is wie we zijn.

 

Dit stuk verscheen in het meinummer van SAAR magazine.