vrijdag 9 januari 2026

Johnny Come Home

 

Rond de jaarwisseling keek ik naar de Top 2000 a gogo, alleen voor de quizjes, en bleef hangen bij een interview met de zanger van Fine Young Cannibals over de oorsprong van hun hit ‘Johnny Come Home’. Het bleek gebaseerd op een documentaire uit 1975 over straatkinderen in Londen. Ik vond de documentaire op YouTube. We volgen Tommy, een 12-jarige jongen uit Glasgow die van huis wegloopt omdat hij, volgens de voice over, niet van regeltjes houdt. Tommy, een wat mollige jongen met een open gezicht die gekleed gaat in pak met stropdas en een koffer bij zich heeft, komt aan op Euston Station. De surveillerende politieagenten maakt hij wijs dat hij zeventien is, de vraag ‘Weten je ouders dat je hier bent?’ beantwoordt hij met ja. De politie laat hem gaan en Tommy verdwijnt in de grote stad. We zien hem lopen met zijn koffer, langs de hekken voor de Arcade hal op Piccadilly Circus die bekend staan als ‘The Meat Rack’- hier pikken mannen jonge jongens op. We zien hem ’s morgens uit een grote kartonnen doos kruipen waarin hij heeft geslapen. Twaalf jaar. We zien hem vrienden maken met een veertien- en een vijftienjarige jongen die al langer op straat leven. De een houdt zich in leven door middel van diefstal, de ander prostitueert zichzelf. ‘De eerste keer was frightening,’ zegt hij vanonder een pony die tot ver over zijn ogen hangt, ‘je weet niet wat er gaat gebeuren. Daarna ging het wel.’

Hoe Tommy zich in leven houdt wordt niet verteld. Eén keer gaat hij naar een daklozenopvang om daar de nacht te kunnen doorbrengen. Hij wordt ontvangen door een man die hem vraagt zijn jasje en overhemd uit te doen, waarna de kledingstukken worden geïnspecteerd op luizen en wantsen. Als de man Tommy daarna opdraagt zijn broek uit te trekken, weigert die. ‘Dan krijg je ook geen slaapplek,’ zegt de man. ‘Dan niet,’ zegt Tommy.

 

Na vijf maanden keert hij terug naar Glasgow, volgens de voice over omdat hij moe was van een bestaan op straat. Hij loopt het portiek van zijn woning in, waar twee buurkinderen hem vragen waar hij al die tijd was. ‘Londen,’ zegt hij, en er trekt iets van trots over zijn gezicht. Als zijn moeder de deur opendoet oogt ze niet verbaasd, alsof hij alleen een blokje om is geweest. Tommy gaat in de huiskamer zitten in het pak dat hij al vijf maanden draagt en steekt een sigaret op. Zijn oma is er, er is taart, het ziet er geregisseerd uit. ‘Kinderen tegenwoordig,’ begint oma, ‘die willen alles maar hebben, ze willen er niets voor hoeven doen.’ Ze gaat maar door over hoe verwend kinderen nu zijn.

 

In het volgende shot loopt Tommy weer met zijn koffer door Euston Station, hij had niet eens de nacht thuis doorgebracht. De bewakingscamera’s registreren hoe hij urenlang op een stoeltje in de stationshal zit. Blijkbaar wil hij niet zozeer naar Londen, als vooral niet zijn waar hij vandaan kwam. Hij is inmiddels iets behendiger in het ontduiken van lastige vragen van de politie, maar uiteindelijk sturen ze hem toch weg. Dat wil zeggen, ze dragen hem over aan een soort heilsoldaten die in het station zwervende jongens aanspreken. ‘Als je met ons meegaat krijg je onderdak en te eten en een beetje zakgeld,’ zegt de oudste. Het is Roger Gleaves, een zelfbenoemd bisschop in een oud RAF-uniform met een embleem van een verzonnen vrijwilligersorganisatie op de mouw gestikt. Gleaves beheert een aantal opvanghuizen voor jongens in de stad. Als hij Tommy een kamertje toewijst voor hem alleen, met een bed, een nachtkastje en een klerenkast, legt Tommy zijn koffer op het bed, gaat ernaast zitten en slaat zijn handen voor zijn gezicht. Het is de enige keer in de film dat je hem ziet huilen.

 

De documentaire bestaat uit twee delen. Tijdens het filmen hoorden de makers verhalen over Roger Gleaves, verhalen over perversiteiten en geweld. In dezelfde tijd werd het zwaar toegetakelde lichaam van een bewoner van een van de opvanghuizen aangetroffen in een greppel. Het was de 19-jarige Billy McPhee, Volgens de rechercheur die het lichaam ter plekke onderzoekt – en ook daar zit de camera bovenop, we zien Billy’s verwondingen, zijn sokken, zijn schoenen. De messteken. De vliegen in zijn gezicht – lag het lichaam al 48 uur in de greppel en was hij ter plekke overleden. De opvanghuizen werden ondersteboven gekeerd. Op de muren werd bloed aangetroffen van veertig verschillende mensen. Drie werknemers van het opvanghuis werden gearresteerd, twee van hen werden veroordeeld voor moord en kregen lange straffen. Ook Gleason werd opgepakt, hij werd veroordeeld wegens sodomie, aanranding en verkrachting van minderjarigen en kreeg vier jaar cel. Na twee jaar kwam hij vrij wegens goed gedrag.

 

Hoe het met Tommy afliep vertelt de documentaire niet, maar ik vond online oude krantenartikelen waarin stond dat Gleaves vrijwel onmiddellijk na zijn vrijlating naar hem op zoek was gegaan en in 1980 woonde Tommy bij hem. Gleaves groomde nog steeds jonge jongens en nam een deel van hun uitkering in. Hij moest drie keer de cel in voor fraude. Tommy werd gezien als zijn handlanger. Gleaves begon een incassobureau. Hij ging EHBO-cursussen geven aan kinderen. Hij leverde 14-jarige jongens aan een illegaal bordeel. Hij distribueerde op grote schaal kinderporno. Hij had 27 bankrekeningen en meerdere aliassen. Het hield maar niet op. In 1998 werd hij veroordeeld tot vijftien jaar cel voor de verkrachting van twee 14-jarige jongens en poging tot verkrachting van anderen. Hij was 83 toen hij vrijkwam. Hij kreeg een sociale huurwoning toegewezen die uitkeek op een basisschool en een kinderspeelplaats. Tot de buurt erachter kwam en hij gedwongen werd te vertrekken.

 

Het meest recente bericht over Tommy dat ik kon vinden was een reactie van iemand onder de YouTubedocumentaire: ‘Tommy’s 62 now living a decent wee life in some nice shelterd accomodation in my area. whole community knows him. local character he is.’ De opmerking heeft 192 likes, en bijna trap ik erin, bijna denk ik net als alle anderen die comments hebben gepost als ‘That’s excellent news!’en ‘Good to hear that he’s alright,’ dat het verhaal toch nog een happy end heeft. Tot iemand opmerkt: ‘Als je op je 62e in een begeleidwonenproject zit heb je geen goed leven gehad.’

Dat lijkt me een understatement.