dinsdag 20 maart 2018

Godverdomme

Het nieuws was op dezelfde manier binnengekomen als eerder het bericht van de dood van een andere dichter: door middel van een Whatsapp-bericht dat alleen een naam bevatte (waarna ik terug typte: Wat??). Ook dit keer belde een vriend me later op en gingen we heel rare grappen maken. Alleen nu liet ik daarop volgen: ‘Dit geeft wel weer aan hoe onhandig we zijn als het op de dood aankomt, we weten écht niet hoe we er mee om moeten gaan.’

Ik registreer mijn gevoel, mijn gedrag. Ik zeg heel vaak ’godverdomme’. Dat herken ik van eerdere gelegenheden. Godverdomme zeggen is blijkbaar mijn basisreactie als er zoiets gebeurt. Ook herken ik de zwaarte in mijn lijf, een verlamming die zich uitstrekt over mijn armen en mijn benen. De zwaarte ligt ook in mijn mond, mijn tong heeft geen zin om zich op te tillen, om woorden te vormen of voedsel te verwerken.
Interessant wel, denk ik, en ik noteer het.

Ik moet naar de Syriërs en besluit te gaan lopen, om lucht toe te laten.
De zon schijnt, er staat een ijzige wind. Mijn voorhoofd voelt alsof ik het langdurig onder de koude kraan houd. Het grenst aan pijn, maar ook aan verdoving. Weer registreer ik.

Als ik bij de Syriërs aankom hebben ze de verwarming op 23 gezet. Ik vertel over de dode dichter, en zijn dode dichtende vriend, op wiens begrafenis hij vijf weken eerder sprak. Ik wil ze vertellen over het initiatief de eenzame uitvaart, wat ik zo hartverscheurend mooi vond, en nog steeds vind (uiteraard ook omdat ik ergens diep van binnen vrees zelf eenzaam te zullen sterven en dan hoop, ja hoop.) Maar ik vermoed dat hun kennis van Nederland en het Nederlands nog niet toereikend is om het te kunnen begrijpen. Ook wil ik ze niet te veel lastig vallen met verhalen over dood. Omdat, nou ja, je weet wel.
Dus zeg ik: ‘Wat. Doet. U. Als U. Te laat. Komt. En. Hoe. Vaak. Gebeurt dat?’
Ze denken diep na. Dan zegt de vrouw: ‘Ik bel mijn baas. Dat gebeurt… bijna nooit?’ Ze kijkt me vragend aan.
Ik knik.
De man zegt: ‘Dat gebeurt bijna één keer per jaar.’
‘Eén keer per jaar. Zonder bijna.’
We oefenen nog wat vragen en antwoorden. Ze hebben komende week een examen. Dan hebben we het opeens over de oorlog.
‘Niemand doet. Waarom?’ zeggen ze. ‘Hele wereld weet het. Op het nieuws, op Facebook, op internet. Waarom doet niemand?’
Ik zeg dat ik wel wat doe, en mijn vrienden ook (terwijl ik me afvraag wat ze doen. En wat doe ik zelf eigenlijk?). Ik vertel over de doos met kleren die ik samen met een stel buren naar Lesbos heb gestuurd drie jaar geleden.
Drie jaar geleden. Ik hoor het zelf.
‘Wij hebben geen kleren nodig,’ zegt de vrouw.
‘Alle mensen in wereld moeten stem geven,’ zegt de man.
‘Stemmen?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Zeggen zij niet willen. Maar wereld is stil.’ Hij maakt een veeggebaar in de richting van de houten salontafel van kringloopwinkel ’t Hartje. ‘Onder tafel. Weet je wat ik denk? Wereld wil dat Syrië is leeg. Alle Syriërs dood.’
‘Néééééé,’ zeg ik veel te hard, en in de wetenschap dat hij er geen reden voor zal kunnen aanvoeren: ‘Waarom?’
Hij pakt een stuk papier en tekent een stukje wereldkaart. Syrië, buurlanden, zee. Dwars door Syrië heen tekent hij een lijn. Een pijplijn, voor olie. De kortste weg van Qatar, waar de olie vandaan komt, naar Europa. Nu moet de olie buitenom, over zee, worden vervoerd. De pijplijn ligt er al, maar kan niet worden gebruikt. Eerst moet Syrië leeg zijn.
Ik zeg dat ik dat niet geloof. Hij houdt vol. Ik wil ook volhouden, maar dan zie ik, naast de overtuiging, ook de vermoeidheid en de radeloosheid in zijn blik, en ik zeg niks meer.

We hebben een reden nodig om dingen te doen en dingen te begrijpen. Een slechte reden is altijd nog beter dan geen reden. Dat de chaos, de ellende, de slechtheid zonder reden plaatsvindt maakt het misschien nog wel erger. Ik weet het niet. Ik denk het. Het doet er niet toe wat ik denk, het verandert niks.
Op de fiets naar huis, met weer de snijdende wind in mijn gezicht, spuug ik woorden in mijn sjaal: ‘Godverdomme. Godverdomme.’