vrijdag 14 mei 2021

Operatie Corona

Ik ben geen overdreven aanrakerig type. Toen in maart vorig jaar de eerste coronamaatregelen werden ingevoerd – 1,5 meter afstand houden en geen handen schudden – behoorde ik tot de groep alleenwonende singles, ook wel bekend als zij die niemand hadden om mee te knuffelen. De nadruk die op knuffelen werd gelegd vond ik overdreven. Ik hunkerde niet naar aanrakingen, huidhonger was voor mij synoniem aan aanstelleritis. Toen werd ik ziek.

4 augustus

Het begon met een bloeding die lijkt op een gewone menstruatie. Alleen is dat niet gewoon bij iemand die al jaren in de overgang is, dus ik maak een afspraak bij de huisarts. Het is de eerste keer dat ik met een mondkapje op ergens naar binnen ga en het voelt surreëel, ik heb mijn mondkapje alleen nog maar thuis voor de spiegel gedragen – en een selfie gemaakt voor Instagram.

De huisarts wil een uitstrijkje maken. Terwijl ik met een ontbloot onderlijf  en een bedekt gezicht op de onderzoekstafel lig, opent de man voorzichtig met zijn vingers mijn vagina. Het is het eerste lichamelijk contact in zes maanden – iets dat ik in gedachten onmiddellijk probeer te ontkennen; was ik niet nog naar de kapper geweest, had niet nog iemand me per ongeluk op de schouder geslagen? Nee. Ik ben al een half jaar niet aangeraakt, door niemand.

Na afloop vertel ik het aan een vriendin die net als ik alleen is. We lachen erom. Dan vertelt mijn vriendin dat ze in het voorjaar in de lift had gestaan met een collega. Vlak daarna werd ze ziek, ze had zich nog nooit zo beroerd gevoeld. Het duurde twee dagen, toen was ze weer beter. Wat ze niet wist was dat haar collega inmiddels op de IC lag en later zou overlijden. ‘Ik denk dat ik ook corona had,’ zegt mijn vriendin. We zijn er allebei even stil van. Daarna spreken we af dat we voortaan vaker een beroep op de ander zullen doen.  

 

2 september

De uitslag van het uitstrijkje is goed, maar mijn huisarts wil dat ik ook nog een echo laat maken. Standaardprocedure. Hij noemt een aantal ziekenhuizen waar ik terecht kan, maar niet mijn vaste ziekenhuis, het OLVG. ‘Misschien is het veiliger om naar een kleiner ziekenhuis te gaan,’ zegt hij voorzichtig. Ondanks alles schrik ik er toch van.

In de kleine kliniek waar ik beland zijn de gangen en wachtkamers zijn leeg. De gynaecoloog vraagt me zelf de deur dicht te doen zodat zij hem niet aan hoeft te raken. De stoel waarop ik plaatsneem staat tegen de muur, een meter van haar bureau af. We dragen allebei een mondkapje en ik heb mijn handen twee maal gedesinfecteerd: bij binnenkomst en na het naar de wc-gaan nog een keer. Wat een gedoe voor iets dat standard procedure is. Had ik die echo niet kunnen skippen?

Maar zodra de arts de echokop heeft ingebracht en mijn baarmoeder op het beeldscherm verschijnt, blijkt dat het goed is dat ik ben gekomen. Een van mijn eileiders is opvallend dik en ernaast zit een donker vlekje. ‘Dat kan van alles zijn,’ zegt ze. Terwijl ze verder kijkt in mijn binnenste, leunt haar arm licht tegen de buitenkant van mijn blote been. Het gevoel verrast me. De warmte, de zachtheid, het gevoel van huid op huid, ik heb al heel lang niet zoiets gevoeld. Ik merk nu pas hoe lang.

 

4 november    

‘Ah, zo ziet u eruit.’ De nieuwe gynaecoloog klikt op de pasfoto in mijn medisch dossier. Ze heeft mijn intiemste delen gezien, maar niet mijn gezicht.

Na drie afspraken in de kleine kliniek ben ik alsnog in het OLVG belandt, daar zijn ze beter uitgerust. De gynaecoloog vermoedt een kleine poliep in mijn baarmoeder en wil een hysteroscopie uitvoeren. Dat kan gelukkig poliklinisch, want er worden alleen nog spoedeisende operaties uitgevoerd. Alle andere ingrepen zijn voor onbepaalde tijd uitgesteld.

‘Het is een enorme toestand,’ zegt de gynaecoloog. ‘Ik krijg boze mensen aan de telefoon. Maar we kunnen niet anders, de IC’s liggen vol. Mensen zeggen: dan zet je toch meer verpleegkundigen in? Maar die zijn er niet. Of ze zeggen: waarom bouwen jullie geen speciale coronaklinieken? Maar wie moeten daar werken dan? Er is al te weinig personeel in de zorg. En dan zeggen die lui van Viruswaanzin dat de kwetsbaren maar binnen moeten blijven zodat de rest gewoon door kan met zijn leven. Maar de kwetsbaren dat zijn – ’ ze somt ze op haar vingers op – ‘de ouderen, de diabetici, de hartpatiënten, de mensen met longziekten, de kankerpatiënten, de mensen met ernstig overgewicht... Ze hebben geen idee waar ze het over hebben.’ Even valt ze uit haar rol en zijn we twee mensen die tegenover elkaar hun bezorgdheid en frustratie over de situatie uiten. Het doet me op een merkwaardige manier goed.

 

27 november

Het mondkapje benauwt me. Ik lig op een gynaecologische stoel onder felle operatielampen terwijl een arts in opleiding onder toeziend oog van de gynaecoloog de hysteroscopie uitvoert. Ze hebben een poliep ontdekt, die waarschijnlijk verantwoordelijk was voor de bloedingen. Hij wordt ter plekke weggesneden. Ondanks de pijnstilling is het pijnlijk, ik voel me eenzaam en niet gezien. Het is alsof ik in tweeën ben gedeeld: beneden ligt het deel van mijn lichaam waarin wordt geprikt en gesneden, en een halve meter hoger lig ik, deels onzichtbaar achter een stuk stof dat mijn halve gezicht bedekt, en slecht verstaanbaar. Een mondkapje ontmenselijkt. Plotseling legt de arts een hand op mijn bovenarm en geeft me een bemoedigend kneepje. Het duurt maar een seconde, maar het gevoel is overweldigend. Troostend, verwarmend. Nog dagen erna voel ik het, alsof de afdruk in mijn huid gebrand staat.

 

10 december

Ik wacht op de uitslag van het weefselonderzoek. Het is geen actief wachten, ik maak me geen zorgen, ik weet dat zo’n onderzoek ook standaardprocedure is. Intussen googel ik de gynaecoloog en de arts in opleiding. Ik wil weten hoe ze er in het echt uitzien, zonder mondkapje. Het is meer dan gewone nieuwsgierigheid, het is een verlangen om de mens achter de medische handelingen zien. Tot mijn verbazing zien ze er allebei heel anders uit dan ik had verwacht.

 

15 december

Er zijn veranderende cellen aangetroffen in het weggenomen weefsel. Cellen die op weg zijn om kankercellen te worden. Mijn baarmoeder en eileiders zullen preventief  moeten worden verwijderd en misschien (40% kans) mijn eierstokken ook. De arts in opleiding legt het allemaal geduldig uit en vraagt dan of ik nog vragen hebt. Ik kan niks verzinnen. Overdonderd, met de telefoon nog in mijn hand blijf ik staan. Ik wil iemand bellen, maar wie? Iemand die meteen opneemt, ik wil geen voicemail nu, en ik wil niet een halve dag moeten wachten voor ik teruggebeld word. Maar eigenlijk wil ik iemand zien. Ik wil schuilen. Ik wil armen om me heen. Mag niet, kan niet. Ik zoek de poes, knuffel haar.

 

23 december

Het OLVG is gestopt met het inplannen van operaties. Er is geen capaciteit, de IC ligt vol. ‘Het kan dus nog wel even duren voordat je geopereerd wordt,’ vertelt de arts in opleiding als ik haar spreek in een bijna leeg ziekenhuis. ‘Jij hebt natuurlijk wel voorrang op iemand met een verzakte baarmoeder.’

De hiërarchie van ellende.

Ik vind het niet erg dat mijn operatie wordt uitgesteld, dat geeft me meer tijd om te wennen aan het idee. Het vergroot bovendien de kans dat ik straks gevaccineerd de OK in ga. Dat vind ik wel een veilig idee.

We nemen de details van de operatie door. Het wordt een kijkoperatie. De arts in opleiding vertelt me dat ik een ‘mooie, kleine, gave’ baarmoeder heb en dat ze daardoor geen moeilijkheden verwachten. Omdat ik al in de overgang ben zal de ingreep geen grote hormonale veranderingen teweeg brengen. Enigszins gerustgesteld verlaat ik het ziekenhuis. Op weg naar huis doe ik kerstinkopen voor één persoon. De gedeeltelijke lockdown blijft ook tijdens de feestdagen van kracht en de horeca is nog steeds dicht.

 

4 januari

De planner van de OK belt: ‘Goedemorgen, we zijn weer begonnen met het inplannen van operaties en ik mag u inplannen.’ Ze klinkt een beetje buiten adem. ‘25 januari bent u aan de beurt. We weten natuurlijk niet wat er de komende weken gaat gebeuren, dus er is altijd een kans dat het niet doorgaat.’

Ik luister, knik, stel vragen en huil geruisloos, want opeens gaat het wel heel rap. Ik ben nog niet gewend aan het idee, ik ben nog steeds in shock als ik eraan denk dat mijn ‘mooie, gave’ baarmoeder eruit moet, ik moet mijn vrienden nog vertellen dat ik ze nodig heb. Na de operatie mag ik vier weken niet tillen, niet fietsen en geen zwaar huishoudelijk werk doen. Mijn verzoek om thuishulp is afgewezen; zolang ik mensen om me heen heb die me kunnen helpen ben ik niet hulpbehoevend genoeg. Ik zal mijn vrienden moeten vragen om te komen schoonmaken en voor me te komen zorgen. Daar zie ik tegen op, ik ben gewend om alles zelf te doen, niet om om hulp te vragen.

 

23 januari

De avondklok is ingegaan. Ook zijn de maatregelen voor bezoek verder aangescherpt: voortaan mogen we nog maar één bezoeker per dag ontvangen. Ik weet nu al dat ik het maximum zal gaan overschrijden. Acht vrienden en buren zullen me door de eerste weken heen helpen. Ik heb een rooster gemaakt en een enorme voorraad mondkapjes, handschoenen en desinfecterende doekjes en gels aangelegd. Ik download het formulier ‘Eigen verklaring avondklok’ voor het geval mijn vrienden-verzorgers nog na negenen over straat moeten. Als ze worden aangehouden zullen ze moeten liegen dat het een noodgeval is, want koken en schoonmaakwerk verrichten voor een herstellende vriendin blijkt geen reden te zijn om je na de avondklok voor naar buiten te begeven.

Het ziekenhuis belt nu dagelijks met updates of informatie, soms al om acht uur ’s morgens, een enkele keer zelfs in het weekend. Het is duidelijk: er wordt daar keihard gewerkt. Toch krijg ik geen moment het gevoel dat ze het te druk hebben voor mijn vragen, integendeel, er is volop tijd en aandacht voor me.

 

25 januari  

In het ziekenhuis deel ik een kamer met twee vrouwen waarvan er een aan een stuk door ligt te hoesten. Waarschijnlijk vanwege de beademingsbuis die in haar keel heeft gezeten, maar ik merk dat ik er toch niet helemaal gerust op ben. Patiënten dragen als enigen geen mondkapje. Twee dagen voor opname zijn we getest op het virus, maar in twee dagen kan er natuurlijk nog van alles gebeuren. Ik weet dat het besmettingspercentage onder zorgpersoneel hoog is. Zij zijn de frontsoldaten, het kanonnenvlees. Ze werken onder enorme druk. Maar als patiënt merk je daar niks van, al het personeel is opgewekt en geduldig, ze lijken onvermoeibaar.

Buiten daarentegen wordt de sfeer steeds grimmiger. Op verschillende plaatsen in het land zijn de afgelopen dagen ziekenhuizen bestormd door relschoppers die het niet eens zijn met de avondklok. In Amsterdam werden winkels geplunderd. ‘Doe voorzichtig,’ hoor ik iemand zeggen tegen een verpleegkundige wier dienst is afgelopen. Laat op de avond vang ik een gesprek op tussen twee verpleegkundigen die voor het raam naar buiten staan te kijken. Achter ze zie ik een traag bewegende sliert lichtjes. ‘Dat zullen toch niet allemaal mensen zijn met een vitaal beroep?’ vraagt de een. ‘Dat lijkt me niet?’ zegt de ander vertwijfeld.

           

26 januari

De operatie is goed gegaan en ik herstel vlot. Twee tot vier opnamendagen staan er normaliter voor een hysterectomie, nu is dat één dag. Maar het gaat zo goed, dat ik nog geen vierentwintig uur na de operatie al naar huis mag, het liefst zo snel mogelijk, zodat mijn bed weer vrijkomt.

De vriendin met wie ik heb afgesproken dat we vaker een beroep op elkaar te zullen doen komt me ophalen. Ze heeft haar werk ervoor moeten afzeggen en haar dochter alleen thuis moeten laten. God ik ben zo dankbaar. Dankbaar voor iedereen die me overeind houdt en gaat houden de komende tijd.

Thuis overtreed ik al meteen de regel van maximaal één bezoeker per dag: drie mensen zijn er nodig om ervoor te zorgen dat ik de eerste 24 uur niet alleen ben. De eerste haalt me op uit het ziekenhuis, de tweede blijft ’s nachts bij me en nummer drie komt de volgende morgen als nummer twee naar zijn werk is vertrokken. Ook daarna is het een komen en gaan van vrienden-slash-verzorgers. Bijna een jaar heb ik geen bezoek gehad en sprak ik alleen met mensen af in de buitenlucht, nu wordt mijn deur platgelopen – terwijl ik nu op mijn kwetsbaarst ben. Het voelt op z’n minst wat tegenstrijdig.

 

30 januari

Voor het eerst begint de anderhalvemeterregel me te storen. Misschien komt het door de overvloed van fysiek contact in het ziekenhuis – van de hulp met aankleden en de ondersteunende armen tijdens een wandelingetje, tot het natte waslapje dat na het overgeven op mijn voorhoofd werd gelegd – of misschien is het de intimiteit van verzorgd worden in je eigen huis, maar het afstand houden voelt opeens weer net zo onnatuurlijk als in maart vorig jaar. Als iemand met een mondkapje voor mijn woning betreedt, ervaar ik dat bijna als een afwijzing, alsof het een spandoek is waarop staat: blijf uit mijn buurt!

Door afstand te houden beschermen we onszelf, maar missen we ook de bescherming van anderen bij wie we kunnen schuilen voor angst en pijn. Huidhonger is niet de hysterische drang om te knuffelen, het is de behoefte aan een aanraking als je je alleen voelt. Soms is een kneepje in je arm al voldoende.

 

14 februari

Mijn vrienden zijn vertrokken, het is stil in huis. Ik mag weer zelf stofzuigen en boodschappen doen. Ondanks de zorgen en de stress, het fysieke ongemak, de onzekerheid en de beperkingen, heb ik de periode die achter me ligt vooral als positief ervaren. Vriendschappen hebben zich verdiept, buren hebben hun waarde bewezen. We moesten om een pandemie heen werken en ons aanpassen aan de constant veranderende regels, en dat ging prima. Niemand klaagde, niemand had het over huidhonger. We vonden andere manieren om dichter bij elkaar te kunnen komen, in gesprekken, in het aanbieden – en aanvaarden – van hulp en soms in het ombuigen van de regels. Maar wat ook duidelijk werd: de behoefte aan nabijheid bleef. De vriendin die even op het voeteneinde van mijn bed kwam zitten; de arts die mijn pasfoto aanklikte; ikzelf in mijn verlangen om te weten hoe mijn artsen er achter hun mondkapje uitzagen: allemaal zochten we naar een manier om, ondanks de beperkingen die het virus ons oplegde, dichter bij de ander te komen. Omdat dat menselijk is. Omdat dit is wie we zijn.

 

Dit stuk verscheen in het meinummer van SAAR magazine.


maandag 5 april 2021

Chat

Ik bleek zonder het te weten een jaarabonnement op Adobe te hebben afgesloten. Ik had een gratis proefversie gedownload om één foto te bewerken en het proefabonnement meteen weer opgezegd, maar blijkbaar was er iets fout gegaan. Er was al twee keer abonnementsgeld afgeschreven.

Ik probeerde Adobe een bericht te sturen. Je bleek alleen te kunnen bellen of chatten – in het Engels. Ik koos voor de chat. Drie kwartier zat ik met Josephine op de chat. Josephine was heel behulpzaam, zo wilde ze mijn Adobe-abonnement wel gratis voor me omzetten in een abonnement op Photoshop of iets anders. Ik wil geen abonnement, schreef ik, ik wil dat mijn abonnement geannuleerd wordt. Dat begreep Josephine, daarom wilde ze me een korting geven op mijn jaarabonnement. Ik zei weer dat ik geen abonnement wilde.
OK Ma, schreef Josephine  – uit luiheid had ik bij de registratie alleen de eerste twee letters van mijn voornaam ingevuld – ik zal het abonnement voor je annuleren. Dat kost 50% van het resterende abonnementsgeld, in jouw geval € 91,- Zal ik het abonnement annuleren, Ma? Of heb je liever een abonnement op een andere dienst, ik heb een aanbod voor…
En zo ging het door.
Het laatste dat ik aan Josephine typte, en daar ben ik niet trots op, was: FUCK OFF. 
Daarna deed ik wat ik meestal doe als ik het niet meer weet. Ik deed alsof het niet bestond. Ik negeerde het.

Maar ’s avonds in bed zag ik opeens voor me hoe ik ergens in de toekomst niet door de douane zou komen doordat ik nog een openstaande schuld bij Adobe had van 6.000 euro. 

De volgende dag meldde ik me weer op de chat. Nu trof ik Namrata. Een moment, typte Namrata, dan lees ik even je eerdere berichten door. 
Ik dacht aan de fuck off waarmee ik het vorige gesprek had afgesloten, maar zei niks.
Ik begrijp dat je boos bent, schreef Namrata even later, laat me je helpen. 
Ze had een mooi aanbod voor me, een korting op mijn jaarabonnement. Of ze kon mijn abonnement voor me overzetten in iets anders, misschien wilde ik een abonnement op Photoshop?

Ik zag voor me hoe ze daar op de twaalfde verdieping van een gammel gebouw in New Delhi kantoortje zat te spelen, en toen dacht ik: dit kan ik ook.
Ik verzon een advocaat met wie ik net had gebeld. Ze (geloofwaardigheid zit in de details) had me verteld dat het hier in mijn land verboden was om stilzwijgend een abonnement te verlengen. 
Dat laatste verzon ik niet, ik had het gelezen op een van de klachtensites waar ik die middag was beland toen ik Adobe googelde. Honderden klachten bij elkaar. Of eigenlijk waren het er maar twee: Adobe heeft zomaar mijn abonnement verlengd. En: ik kan mijn Adobe-abonnement niet stopzetten. Eerst voelde ik opluchting. Het lag dus niet aan mij. Toen kwam de verbijstering. Adobe, dat was toch een, zeg maar, normáál bedrijf? 

Ik herhaalde tegenover Namrata wat ik eerder had getypt over verboden, illegaal en strafbaar. Namrata herhaalde haar aanbod.
Hang on, zei ik toen, my lawyer is on the phone. Ik liep naar de badkamer om mijn oververhitte hoofd onder de kraan te houden. Ik depte mijn gezicht droog. Haalde een paar keer diep adem en dronk een glas water. Ik dacht aan Hill Street Blues. Let’s be careful out there.
Ik ging terug naar Namrata. We’re going to press charges, schreef ik.
Er verschenen drie dansende puntjes. Ze verdwenen weer. 
Goed, typte Namrata, bij hoge uitzondering zal ik je abonnement annuleren. 
Bedankt, zei ik, en ik wil ook het abonnementsgeld dat is afgeschreven terug. 
Dat begreep Namrata, maar dat ging helaas niet. 
Zou je zo vriendelijk willen zijn me je achternaam te geven, schreef ik, mijn advocaat heeft je volledige naam nodig.
Het bleef heel lang stil. Zelfs geen dansende puntjes verschenen er.
Sorry, ik wilde je niet bang maken, schreef ik, je klinkt als een heel aardig persoon. Het is je baas waar we achteraan gaan. Maar daarvoor hebben we wel jouw volledige naam nodig. 
Dit was beter dan fuck you typen, veel beter. Het was lekker, ik genoot. 

Eindelijk verscheen er een bericht. Er zou een uitzondering voor me worden gemaakt. Het afgeschreven geld werd teruggestort. Ook heette Namrata nu opeens Jayshree. Daarna las ik dat het gesprek was beëindigd. 

Ik moest een halfuur met wapperende armen door de kamer lopen om de adrenaline kwijt te raken. Ik had gewonnen. Ik schonk mezelf een glas wijn in. Schrokte een reep chocola weg. Langzaam maakte de euforie plaats voor wat anders. Ik dacht aan Namrata in haar snoeihete, door TL-balken verlichte kantoor die elk moment door haar supervisor op het matje kon worden geroepen. Ik had niet gewonnen. Niemand had gewonnen. We waren allemaal verrot. 


dinsdag 2 februari 2021

Tralalalala

Het eerste dat ik zei toen ik ontwaakte uit de narcose was: zit mijn mascara nog goed? Dat is me later verteld, ik heb daar geen herinnering aan.
‘Je gaat een droomreis maken,’ hadden de vrouwen gezegd terwijl ze zich over me heen bogen (rimpeltjes rond de ogen), ‘waar wil je naartoe?’
‘Ethiopië,’ zei ik zonder aarzeling.
Iemand zette een knipje in de tijd en het volgende dat ik hoorde was: ‘Je mascara zit nog goed, daar maakte je je een beetje zorgen om, hè?’

Goede zorg zit in de details, in het natte waslapje dat woordeloos op mijn hoofd wordt gelegd, in alle goedemorgens en goedenavonds terwijl geen van ons iets terug zegt.
De twee vrouwen met wie ik de kamer deel kermen bij vlagen van de pijn. De een is halsoverkop opgenomen, de ander was bijna dood, maar wil daar nog even niet over na denken. Eerst voel ik me schuldig omdat ik niet lijd, dan word ik wantrouwig. Staat mijn infuus wel goed afgesteld? Misschien lijd ik wel, maar ben ik niet in staat om iets te voelen. Het klinkt als een ideaal leven, maar dat zal ik wel weer verkeerd zien.

De wijzers van de klok staan op half tien. Twee verpleegkundigen staan voor het donkere raam naar buiten te kijken. ‘Dat zullen toch niet allemaal mensen met een vitaal beroep zijn?’ Achter ze zie ik nog net iets van de traag bewegende sliert lichtjes. Iemand zegt dat er ziekenhuizen worden bestormd. Een verpleegkundige wier dienst is afgelopen krijgt een ‘doe voorzichtig’ mee naar huis. Daarbuiten woedt een oorlog, maar hierbinnen, in de buik van het schip, blijft het bij verhalen, te grotesk om te kunnen geloven.

’s Nachts roept ergens een man: help mij, help mij, help mij, o help mij, kommer en kwel, help mij, help mij, help mij toch, help mij.

De dag begint vroeg, al halverwege de nacht. Ik ben veranderd in een kind. Ingestopt, uit bed geholpen, samen stukje lopen, plasje doen, zal ik je wassen of wil je het zelf doen? Ik wil hier nooit meer weg. Als ik vergeet te ademen klinkt er een toetertje. Ik zuig wat lucht naar binnen en het toetertje zwijgt. Meer wordt er niet van me verwacht, ademen. Goed zo. Goed hoor. Ik doe het beter dan verwacht, nog voor de lunch mag ik naar huis. 
‘Dappere dodo, die vriendin van jou,’ zegt de 80-jarige die naast me ligt.
‘Vertel mij wat,’ zegt mijn vriendin en ik wacht tot ze een anekdote gaat vertellen, en dan nog een en misschien nog een. Maar ze rijdt de rolstoel naar mijn bed en gebaart me te gaan zitten. Op weg naar de uitgang zwaai ik als de koningin van Lombardije. Tralalalala, lalalalala, altijd met haar hand.

Thuis is de poes hysterisch blij, ze holt schreeuwend heen en weer, gooit al haar speeltjes in de lucht, graait naar mijn handen, mijn voeten, mijn ellebogen en negeert de tas met ziekenhuisspul.
‘Moet je niet in bed gaan liggen?’ vraagt mijn vriendin.
Daar gaat ze weer, het kind, met tegenzin vertrek ik. Zuster morfine zingt me in slaap.

dinsdag 5 januari 2021

Stinkende bloemenkinderen

‘Ben je niet boos op mensen die ontkennen dat de ic’s vol liggen?’ vroeg gisteravond een vriend aan de telefoon.
‘Ja, natuurlijk,’ zei ik, ‘woedend.’

Dat was eerst niet zo, eerst bekeek ik ze met een mix van medelijden en meewarigheid, de wappies en de bagatelliseerders. Dag in dag uit zie ik ze voorbijtrekken, met hun krankzinnige argumenten en hun smalende gelijk, verwijzend naar YouTubevideo’s zoals christenen verwijzen naar de Bijbel. Ook mijn vriendenkring was het binnengesijpeld. ‘Je zou ook eens andere waarheden moeten toelaten,’ zei iemand van de zomer tegen me. Ik zei niks. Hooguit: let’s agree to disagree. 

Maar op een dag werd het persoonlijk. Die dag was 15 december. Het was de dag waarop ik hoorde dat er voorlopig niet meer werd geopereerd.
Dat ík voorlopig niet werd geopereerd. 

In mijn lichaam zitten veranderende cellen. Ze gaan van goed naar kwaad. Dat is geen kwestie van dagen of weken (denk ik), maar wat er op langere termijn gebeurt valt niet goed te voorspellen. Onder andere omstandigheden was ik allang geopereerd en stond ik nu al veilig aan de overkant. Maar nu niet. De tweede golf heeft alles weggeslagen. 

Onder andere omstandigheden zou ik dit misschien voor me hebben gehouden. Maar het persoonlijke is politiek geworden. Ik heb gezwegen als wappies en bagatelliseerders losgingen, ik ging discussies uit de weg. Nu zeg ik: donder op met je andere waarheden, stinkende bloemenkinderen, zak in de stront van je zogenaamde vrijheidsstrijd. Jouw vrijheid is een ander zijn hel, jouw kritisch nadenken is niets meer dan navelstaarderij, en je spelfouten spreken boekdelen.

Vanmorgen werd ik gebeld door het ziekenhuis. Het was de planner van de OK. ‘Ik kan u inplannen.’ Ze klonk een beetje buiten adem. ‘We weten natuurlijk niet wat er de komende weken gaat gebeuren, dus er is altijd een kans dat het niet doorgaat.’ Ook kon ik niet in mijn eigen ziekenhuis terecht en zou ik het tijdstip pas de dag van tevoren horen.
Ik luisterde, knikte, stelde vragen, huilde geruisloos en krabbelde de details op de print van een verhaal die voor me lag. 

Een ziekenhuisopname in deze tijd is natuurlijk niet ideaal. Maar dat is kanker ook niet. Het zou beter zijn als ik al gevaccineerd was, maar dat zit er nu niet in, en hopen dat er een weigerende zorgmedewerker opstaat die zijn vaccinatieplek aan mij af wil staan heeft ook weinig zin.

De wappies onder mijn Facebookvrienden heb ik verwijderd. Het waren er niet eens zo heel veel, ze waren vooral luidruchtig. Medelijden heb ik niet meer met ze. Ze zijn niet onschuldig, ze zijn kwaadaardig. Als je nu nog niet beter weet, wil je het niet weten. Ook wappies hebben een verantwoordelijkheid, net als iedereen.