woensdag 13 juni 2018

Verlamd

Ik zag een aflevering van Catfish waarin Nev en Max Robert gingen helpen. Robert had drie jaar ge-appt met Ashley, een knap blond meisje van 22, Robert liet haar foto zien. Ze hadden elkaar nog nooit gezien, maar waren verliefd geworden en Robert had haar een huwelijksaanzoek gedaan. Toen zei Ashley dat ze iets moest vertellen. Ze was niet wie hij dacht dat ze was.

Voor wie Catfish nooit gezien heeft: dit is waar de serie om draait. Wat deze aflevering anders maakte was dat Robert dood ging. Niet onmiddellijk, maar hij had niet lang meer. Op zijn vijftiende was hij verlamd geraakt, nu begon hij immuun te worden voor zijn medicijnen. De foto van een vijftienjarige Robert toonde een stoer jochie, een boefje, en eigenlijk was hij dat nog steeds, alleen had hij nu lappenpoppenbenen, die slap op de kussens van de bank rustten.

Na Ashleys bekentenis had hij het contact verbroken. Hij was bang geworden, zei hij, hij wilde niet gekwetst worden. Maar hij was haar gaan missen, eigenlijk hield hij gewoon van haar. Hij wilde weten wie ze werkelijk was.

Nev en Max begrepen dat Robert niet veel tijd meer had en gingen meteen op zoek.
De eerste Ashley uit Tennessee die ze vonden was een vrouw van tegen de zestig.
Nev en Max wisselden een blik. En ook de kijker wist: dit zou haar héél goed kunnen zijn.
De tweede Ashley uit Tennessee was een crackjunkie die volgens krantenberichten medeplichtig was aan een moord.
Nevs en Max’ monden vielen open.
Omdat ze geen tijd te verliezen hadden – alsof Robert elk moment de pijp aan Maarten kon geven – besloten Nev en Max niet door te zoeken, maar belden ze meteen maar het nummer dat Robert van Ashley had.
Er nam een meisje op dat werkelijk doodsbenauwd klonk en na twee zinnen zei dat ze moest kotsen. Nee, ze wilde Robert echt niet ontmoeten, nee echt niet, nee nee, nou ja, misschien.
Nev besloot naar haar toe te vliegen, terwijl Max terug ging naar Robert.
‘Zou je het een probleem vinden als ze een moord had gepleegd?’ vroeg Max hem.
Robert dacht even na. ‘Er zijn ook politieagenten die per ongeluk een moord plegen.’
‘Politieagenten op crack?’ vroeg Max.
Robert schoot in de lach. Toen zei hij: ‘Ik heb ze niet voor het uitkiezen, you know, being paralyzed and all.’
Max knikte ernstig.

Intussen belde Nev honderden kilometers verderop bij Ashley aan. De deur ging open en er verscheen een dik en dodelijk verlegen meisje, duidelijk niet het meisje van de foto. Ze was 22, maar ze had evengoed dertien kunnen zijn. Haar gezicht – haar echte gezicht - was weggezonken in het vet van haar wangen en haar kin. Haar haar vormde een gordijn dat ze het liefst gesloten hield.
‘Heb jij een moord gepleegd?’ vroeg Nev.
Ze begon schutterig te lachen. ‘Nee.’
Nev vroeg waarom ze Robert niet haar eigen foto had gestuurd.
‘Mijn moeder zei elke dag tegen me dat ik lelijk was en dat ik stonk, daarom heb ik geen zelfvertrouwen,’ zei ze, achteloos en tegelijkertijd eloquent, zoals alleen Amerikanen dat kunnen. Nee, ze wilde Robert absoluut niet ontmoeten, dat durfde ze niet, ze wist zeker dat ze dan moest kotsen. Nee, echt niet, zei ze, toen het haar nog een keer werd gevraagd.
‘Is het omdat hij verlamd is en je niet voor hem wil zorgen?’ vroeg Nev.
Nee, dat was het niet. Ze had haar moeder tot aan haar dood verzorgd en zorgde nu voor vader met Alzheimer.
‘Dus jij bent de verzorger in de familie,’ zei Nev.
Ze knikte, alsof het nooit in haar op was gekomen dat ze ook iets anders had kunnen worden. En toen Nev nogmaals zei dat Robert haar echt heel graag wilde ontmoeten zei ze: ‘Goed dan.’

Misschien kwam het door de camera’s of door Neve, die echt naar haar leek te luisteren, maar ze begon er opeens in te geloven. Uiterlijk deed er niet toe, Robert en zij waren op elkaar gevallen om wie ze van binnen waren. Het was haar nooit gelukt om daar in te geloven, ze wist zeker dat hij op haar af zou knappen als hij haar zou zien. Maar nu ze het er met Nev over had zag ze opeens dat ze zich had aangesteld. Ze wilde Robert ontmoeten, ze was er klaar voor.

Nev belde terstond Max, die bij Robert zat. ‘Hi boobie!’ riep Robert heel hard door het gesprek heen, toen hij besefte dat Ashley het zou kunnen horen, en Ashley begon te glimmen.
Ik kreeg tranen in mijn ogen. Het was prachtig.

De volgende dag vloog Ashley met Nev naar Robert. Toen ze naar Nevs auto liep, van achteren gefilmd, en de capuchon van haar hoodie over haar hoofd trok, deed ze me aan iemand denken. Het duurde even voordat ik wist wie.
ET. Haar postuur, de manier waarop ze liep, het was sprekend ET in de hoodie van Elliot.
Ik wou dat ik het niet gezien had, want nu was ik bang dat Robert het ook zou zien.

Ashley liep met Nev naar Roberts huis. Bij de voordeur zei ze: ‘Ik ben zo zenuwachtig, ik moet kotsen.’ ‘Nu?’ vroeg Nev. ‘Ja, ik denk het.’
Vanuit het huis riep Robert met een Elvis-stem: ‘Hello baby.’
De tranen biggelden nu over mijn wangen.
Nev duwde de voordeur open. Robert zat rechtop op de bank, zijn lappenpoppenbeentjes een beetje weggemoffeld achter een paar kussens. Ashley probeerde zo onopvallend mogelijk het huis binnen te gaan, ze probeerde naar binnen te gaan zonder naar binnen te gaan. Gelukkig hoefde ze niet te kotsen. Ze omhelsde Robert. Ze kon hem nauwelijks aankijken, met gebogen hoofd liep ze naar een stoel tegenover hem en kroop daarin weg.
Roberts gezicht verried niks. Of eigenlijk wel, het stond blanco.
Er was wat mis.
Nev en Max besloten een intermezzo in te lassen.
‘Wat vind je ervan?’ vroeg Max aan Robert, toen Ashley met Nev de kamer had verlaten.
‘Ik weet niet,’ zei Robert.
‘Weet je niet of je haar leuk vindt?’
‘Ik ben bang,’ zei hij, ‘ik wil niet gekwetst worden.’ Maar het klonk niet geloofwaardig. Opeens herkende ik de blik in zijn ogen. Het was schaamte.
Hij mocht dan tot aan zijn oksels verlamd zijn, in zijn hoofd was hij nog steeds dezelfde jongen als vroeger. Een populaire jongen, een knappe gast die de mooiste meisjes achter zich aan had. Meisjes zoals op de foto in zijn telefoon. Hij was nog niet van plan om op te geven.

Uiteindelijk zei hij het. Hij wilde wel vrienden zijn met Ashley, en misschien in de toekomst meer. Hij kon dat zeggen. De toekomst was voor hem al heel lang een abstract begrip.

Toen Nev en Max twee maanden later belden voor een update zei Ashley dat ze geen contact meer hadden. Ze hadden ruzie gekregen, Robert had haar verteld dat hij een ander meisje had ontmoet.
Toen ze Robert belden maakte die geen melding van een ander meisje. Misschien was dat er ook niet. Hij had gewoon gezegd wat hij vroeger altijd zei.

dinsdag 15 mei 2018

De verhalen

Omdat ik maar anderhalf boek bij me had (een vliegtuigboekje dat licht en klein was en bij landing uit, en Mythos van Stephen Fry – verplichte kost als je naar Griekenland gaat, maar niet iets waar ik altijd zin in had) en omdat alle YouTube-docu’s die ik van plan was daar te kijken onbekeken bleven vanwege gebrek aan wifi, ging ik op zoek naar verhalen.
Niet door bij oude vrouwtjes en tandeloze mannetjes op het dorpsplein aan te schuiven en mijn oor te luister te leggen, maar door mijn bladwijzerbalk langs te gaan. Talloze internetpagina’s vond ik daar, met verhalen die ik had willen lezen, maar waar ik nooit de tijd voor had genomen. De eerste twee alinea’s misschien, daarna werd ik onrustig – want: internet – en surfte ik verder (gebruikt iemand de term surfen nog wel eens als het om struinen over het wereldwijde web gaat? Gebruikt iemand de term ‘wereldwijd web’ nog wel eens? Of ‘digitale snelweg’? Maar dit terzijde.) Ik maakte een bladwijzer op mijn bureaublad, vooral om mijn gemoed te sussen, want een bladwijzer betekent meestal dat ik er nooit meer naar kijk.

Maar toen belandde ik in een huis op een heuvel in Griekenland, in een kamer zonder internet waar de avonden stil waren. In de ochtend, als ik mijn laptop inplugde in de dining room, waar het nieuws uit de buitenwereld me steeds minder begon te interesseren, mijn inbox leeg bleef en elke Facebook-like als een statement begon te voelen, begon ik verhalen van internet te kopiëren naar Word-documenten. Verhalen van Alice Munroe die ik nog nooit had gelezen. De Twitter-roman van Jennifer Egan, samengebracht op de site van The New Yorker. Essays van Joan Didion. Een meer dan twintigduizend woorden tellend essay van Karl Ove Knausgard over de Vikingen in Amerika. De columns van James Worthy op de site van het Parool – jezus, wat is die jongen toch goed. En een aantal verhalen van schrijvers waar ik al een poosje nieuwsgierig naar was, zoals Roos van Rijswijk en Richard de Nooy.
Ik had tijd, ik had een leeg hoofd en ik las zoals je eigenlijk altijd zou moeten lezen. Met aandacht. Rust. En zonder oponthoud. Vooral Alice Munroe kreeg daardoor een andere stem. Een betere stem. (Joan Didion vond ik opeens niet meer te pruimen – maar dat is een ander verhaal.)
En omdat ik de lulligste niet ben, hier de links. Sla ze op onder je favorieten, en mocht je in de toekomst op een heuvel in Griekenland komen te zitten - je weet maar nooit – dan heb je wat. Ik bedoel echt wat.

-19 verhalen van Alice Munroe voor o.m. The New Yorker
-The Twitter novel van Jennifer Egan
- My Saga – een essay over vikingen in Amerika van Karl Ove Knausgard voor The New York Times
- essays van Joan Didion
- De columns van James Worthy voor Het Parool

woensdag 9 mei 2018

Schrijvershuis aan zee X

Ik heb buiten gegeten, mijn bord met etensresten op het aanrecht gezet en neem mijn laptop mee naar de eetkamer. Het is mijn laatste avond. Ik heb het, ondanks alles wat mis is met het huis en zijn gasten, enorm naar mijn zin gehad.
Ik ga naar de site van Transavia en check net in, als ik in de aangrenzende keuken een geluid hoor. Het klinkt als iets als bestek dat op de vloer valt. Ik sta op en wurm me langs een rijtje koelkasten naar de keuken. Er is niks te zien en ik ga terug naar de eetkamer.

Er zijn die middag nog meer meubelstukken bij gekomen. Zes identieke posters in een lijst, en iets dat lijkt op gedemonteerde toilettafels, die passen bij de krukjes en de spiegels die hier al stonden.
Het is een maffiamethode, zei de Litouwse schrijfster die hier elk jaar komt. Het vijfsterrenhotel onderaan de heuvel vernieuwt jaarlijks het interieur en doneert de afgedankte meubels aan het writer’s centre. Dan is het belastingaftrekbaar. Het writer’s centre slaat de meubelstukken op en krijgt daar een vergoeding voor. De Litouwse had me ernstig aangekeken. ‘It’s not right.’

Ik mail mijn boardingpas naar het kantoortje, zodat ze die daar morgen voor me kunnen printen. Ik sluit af, loop de keuken in en struikel bijna over het roostertje van het afvoerputje in de vloer. Het rooster ligt er half naast, op zijn kop.
Onmiddellijk weet ik wat het geluid was dat ik hoorde. Het was het geluid van het deksel dat werd opgetild en op de tegels viel.
Er is iets uit het putje gekropen.
Een rat? Een slang?

Twee keer heb ik deze week het roostertje al terug op het putje gelegd, omdat het er op zijn kop naast lag. Ik dacht dat iemand het er per ongeluk af had geschopt en niet de moeite had genomen het terug te leggen.
Ik pak een heel grote zware pan en zet hem bovenop het putje, zodat er niks meer in of uit kan. Dan verzamel ik mijn spullen en ik ga naar boven, doe mijn kamerdeur achter me op slot.
Op dat moment denk ik: shit.
As er iets uit het putje is gekropen kan het nu niet meer terug, en blijft het in huis achter.
Ik ga naar mijn badkamer en zet mijn prullenbak bovenop het afvoerputje. Daarna open ik 4G en google ‘rat in the kitchen’.
Ik krijg een YouTubefilmpje van UB40 voorgeschoteld.
Ik maak er ‘rat in huis’ van. Ik lees: Als er problemen zijn met de riolering en het water stijgt, kunnen ratten het huis binnenkomen.
Problemen met de riolering. Die zijn er. Daarom zijn er maar zo weinig schrijvers. Een aantal kamers kan niet worden gebruikt door problemen met de riolering.
Het is wanbeleid, had de Litouwse gezegd. Sinds er een nieuwe director was aangetreden was het rap bergafwaarts gegaan. ‘Iedereen weet het, maar ze sluiten allemaal hun ogen en oren.’
Ze had een brief geschreven aan de burgemeester. Vorig jaar al. Maar de toestand was alleen verslechterd.
‘Het helpt als de schrijvers hun beklag doen,’ zei ze, en ze had me strijdlustig aangekeken.

Ik kruip in bed. Morgen is mijn laatste dag. Het wordt 26 graden. Nog één keer zwemmen in zee. Nog een laatste gyros eten op de boulevard. Niet vergeten mijn geprinte boardingpas bij het kantoortje op te halen. Ik duw oordoppen in mijn oren, doe het licht uit en sluit mijn ogen.

maandag 7 mei 2018

Schrijvershuis aan zee IX

Alleen als ik de heuvel afdaal, het stadje in loop, zie ik toeristen. De eerste twee weken waren het er niet veel. Het strand was leeg, de helft van de restaurantjes en winkels nog gesloten. Toen kwamen er tractoren het strand op. Ik zag hoe ze keien uit het zand zeefden en naar de zee droegen. Er kwam een zacht zandtapijt. Daar kwamen ligbedden op met parasols, rijen dik. De stranddouches werden opgesteld, het muurtje bij de wc’s opnieuw gewit. Terwijl de laatste prullenbakken nog van een verse laag beits werden voorzien hielden de eerste touringcarbussen al halt. Nederlanders, hadden ze hier gezegd, die komen als eerste, in mei. Als de Nederlanders er zijn is het seizoen begonnen.
Daar zijn ze, witte armen, witte benen. Mijn volk, hoewel ik dat natuurlijk niet wil weten.

Zeventien jaar geleden was ik hier ook, met wat toen nog mijn man was. Een paar maanden eerder hadden we een rummikubverslaving opgelopen. Elke avond speelden we drie, vier, soms vijf potjes. Toen we op vakantie gingen, ging de Rummikub mee. We rummikupten op de hotelkamer, op het balkon en bij het zwembad. Soms kwamen er mannetjes bij staan die over onze schouder meekeken. De Rhodos Open, noemden we het. We waren snel, we waren aan elkaar gewaagd, we wonnen om de beurt en we konden er niet mee stoppen.
Toen het huwelijk sneuvelde was een van de eerste dingen die ik dacht: nu kunnen we nooit meer rummikubben. Vreselijk vond ik dat.

Het leek wel een ander eiland toen. Niks herken ik.

‘Rhodos, mooi,’ zei de man van het Syrische gezin waar ik in Nederland wekelijks over de vloer kom. Drie jaar geleden was hij hier, beland na een twee maanden durende reis die via Kos, Turkije, Macedonië en Servië, naar Hongarije leidde – waar hij in de gevangenis werd gestopt – vervolgens naar Macedonië, waar ze zijn treinticket verscheurden en hem terugstuurden naar Hongarije, waar hij voor de tweede keer in de gevangenis werd gestopt. De boot waarmee hij van Turkije naar Kos voer, een kleine boot met 46 vluchtelingen aan boord, maakte water en dreigde te zinken in de gitzwarte nacht. Vlak voor de boot zonk werden ze opgepikt door de Griekse kustwacht. De inzittenden van de boot die na hun vertrok hadden minder geluk: ze verdronken allemaal.

Een totaal ander eiland.

Ik durfde bijna niet te zeggen dat ik voor mijn lol naar Rhodos ging. Maar hij zegt: ‘Rhodos mooi!’ En: ‘Wij missen jou op Rhodos.’
Ik heb mij ook vaak gemist de laatste tijd, maar niet op Rhodos. Ik zit hier als gegoten.