vrijdag 23 juni 2017

Zomeractie



Omdat het zomer is. Omdat het zo’n mooi boek is. Omdat het boek meer lezers verdient. Omdat lezers een mooi boek verdienen en omdat iedereen een mooie zomer verdient om mooie boeken te lezen. Daarom: een speciale zomeractie.

Wie nu mijn roman De andere familie Klein bij mij bestelt betaalt slechts 10 euro om hem thuis te krijgen.
10 euro - inclusief verzendkosten! Kom daar maar eens om bij Bol.
Wil je dat ik er iets inschrijf? Doen we. Het is tenslotte zomer.


Zeg je: Ja, ik wil! Stuur dan een mailtje met je gegevens naar: groenmail@gmail.com
Denk je: Hm tja, kweetnognie, lees dan onderstaande quotes en denk er nog eens over na.

Fijne zomer!

De pers over De andere familie Klein:

‘In haar vorige boek, Liefde is een afspraak, liet Marieke Groen al zien een goed observator te zijn die een eigen vertelstem paarde een originele kijk op de dingen. Met het nu verschenen De andere familie Klein lijkt zij haar vorm definitief te hebben gevonden.’ Vier sterren – Sonja de Jong in Het Noord-Hollands Dagblad.

De andere familie Klein is geen zielig boek, maar wel een dat jeukende vingers en kramp in de kaken veroorzaakt. Om dat kleine dappere meisje dat moet opgroeien in een zeldzaam disfunctionerend gezin, bij een onvoorspelbaar stel ouders. En dan vooral om hoe goed het opgeschreven is. Want hallo zeg, wat kan Marieke Groen schrijven. Wat een ontdekking is dit boek, zelden heb ik me zo opgesloten gevoeld in een verhaal.’– 8Weekly.

‘Marieke Groen heeft een fraaie stijl en Amber ontroert en verrast. Knap hoe Groen in het hoofd van een jong meisje is gekropen in deze beklemmende psychologische roman.’ – Annet de Jong in De Telegraaf.

De andere familie Klein is particulier, authentiek, goed verteld. (…) herbergt sterke scènes en goede vondsten’ – Guus Bauer op Tzum.

‘Huiveringwekkend.’ Vier sterren – Koen Eykhout in De Limburger

‘Als roman vind ik De andere familie Klein zeer geslaagd. Dat zit in twee dingen: Marieke Groen snijdt het verhaal een beetje scheef uit. (…) Het tweede wat de roman bijzonder maakt, is de stijl. Normaal gesproken houd ik ervan als iemand het gaspedaal flink intrapt, maar Groen bewijst dat een ingehouden schrijfstijl soms net zo effectief kan zijn.’ – Chrétien Breukers op De Contrabas.

woensdag 21 juni 2017

Parallel

Ik heb een appje gestuurd naar iemand die ik jaren niet heb gesproken. Zijn nummer stond al die tijd nog in mijn telefoon en ik kan hem gewoon appen, iets wat ik wonderlijk vind, maar nog veel wonderlijker is het dat hij gewoon terug appt.
En dan denk ik: stel dat hij het niet is, dat het nummer nu aan iemand anders toebehoort, dat ik die ander een bericht heb gestuurd en die denkt: ken ik niet, lamaar. Wat ik op een of andere manier een veel logischer gevolg vind. Zo is het waarschijnlijk ook echt gegaan, maar ik zit al in een parallelle wereld waarin ik ben terugge’appt. Ik maak een afspraak om samen naar het verjaardagsfeest van een oude vriend te gaan, alleen is het niet waar, het gebeurt alleen in mijn hoofd. In werkelijkheid zit ik thuis op de bank te wachten op een bericht terug. Ik anticipeer op wat komen gaat, maar weet nog niet dat er niks zal gebeuren.

De volgende dag gebeurt het weer. Ik fiets naar Scheltema, maar mag mijn fiets er niet voor de deur zetten omdat het is afgezet, ik moet mijn fiets in de straat erachter zetten. Er staat een vrachtwagen met een open klep waar fietsen in geladen worden. Die hadden niet geluisterd. En ik zet mijn fiets ergens anders neer.
Ik zit alweer thuis op de bank als ik denk: o jee, straks hebben ze mijn fiets tóch in de vrachtwagen geladen. Terwijl ik net naar huis ben gereden op die fiets, die fiets in de fietsenstalling heb gezet en hem daar op slot heb gezet, de sleutel ligt naast me op tafel – kijk, ik kan hem zo beetpakken.
Tegelijkertijd komt de gedachte van mijn fiets in de vrachtwagen me helemaal niet onrealistisch voor.

Een déja vu, las ik eens, is niets meer dan je hersenen die je de verkeerde volgorde van zaken voorspiegelen. Je hebt het nog niet gezien, je bent er nog niet geweest, je bent er nú en ziet het op dit moment pas. Maar je hersenen draaien het om.

Hoe het verschijnsel van de parallelle wereld heet, weet ik niet. Grote fantasie, waarschijnlijk.


dinsdag 13 juni 2017

Afkicken

Ooit was ik verslaafd. Niet aan alcohol of drugs, en ook niet aan seks of gamen, maar aan triptanen. Jarenlang slikte ik ze onbeperkt. En dat was nu een probleem geworden. Ik kon niet meer zonder. Mijn lichaam begon erom te vragen op de enige manier die het kende, door migraine te krijgen. Er was maar één oplossing: ontgiften. Afkicken. Drie maanden lang. ‘Je gaat me nog vervloeken,’ zei de neuroloog wiens idee het was.

Ik ging naar huis en vertelde het mijn vriend. Hij pakte mijn hand. ‘Ik ben er voor je,’ zei hij, ‘we zijn een team, we doen dit samen.’
Een paar dagen later kreeg ik migraine. Ik nam niks. Ik kroop in bed en lag de aanval uit. Ik stelde me de migraine voor als een monster waartegen ik vocht. Kom maar op, zei ik. Ik kon het aan.
Het monster verdween, maar keerde al snel terug. Zes weken lang had ik bijna dagelijks migraine, de ergste die ik ooit had gehad. Mijn wereld vernauwde zich tot de donkere slaapkamer waar ik bijna al mijn tijd doorbracht. Het monster was woedend en verslond me met huid en haar. Er bleef niets van me over, ik kon niet werken en zag niemand meer, alleen mijn vriend, die al zijn vrije tijd voor me opofferde. Als hij voor zichzelf een maaltje kookte klaagde ik over een misselijkmakende stank. Als hij werd gebeld vroeg ik of het wat zachter kon. Als hij een grapje maakte begon ik te huilen. Lang bleef hij begripvol, deed hij alles wat hij kon. Toen begon hij te verdwijnen. ‘Ik ga even boodschappen doen,’ zei hij dan, waarna hij een halve dag wegbleef. Als hij terugkwam had hij nieuwe kleren voor zichzelf gekocht, een boek of een cd. Van ons team was niet veel over.

En net toen ik dacht dat het nooit meer over zou gaan, dat dit mijn leven was, begon de migraine af te nemen. Drie maanden na het begin was ik ‘clean’. Ik had nog wel aanvallen, maar niet meer zo vaak en niet zo hevig. En het goede nieuws was dat ik dan weer triptanen mocht gebruiken, zij het met mate. Ik had de neuroloog vervloekt, was zeven kilo afgevallen en had diepe groeven in mijn gezicht, maar ik had het monster verslagen.
De relatie overleefde het niet.

(Column in tijdschrift Hoofdzaken).

dinsdag 30 mei 2017

Jas

Tijdens het opruimen van de berging kwam ik de jas tegen die ik nooit meer aanhad. Het was een mooie jas en even voelde ik een aandrang hem aan te trekken. Toen herinnerde ik me weer wat er was gebeurd. Ik liet de jas terug in de zak vallen, zette er een dikke tas bovenop en verliet de berging.

Het was vier jaar geleden, in de periode rond mijn verhuizing. Elke morgen stond ik heel vroeg op en fietste naar mijn nieuwe huis om te verven en te behangen. Als ik aankwam hing ik mijn jas over een rol isolatiemateriaal die rechtop in de berging stond. Aan het einde van de dag trok ik de jas weer aan en fietste ik, met rauwe handen en pijn in mijn rug, terug naar mijn oude huis. Het was lente, soms zat er een iets warmere dag tussen, maar ik droeg nog steeds mijn winterjas.

Op een middag op de fiets naar huis voelde ik iets prikken in mijn hals. Een korte steek, alsof er een splinter of een stukje ijzerdraad in de kraag van mijn jas was blijven hangen. Ik bracht mijn hand naar mijn hals, maar voelde niks. Ik voegde me bij de groep mensen die voor het stoplicht stond te wachten, en daar voelde ik het weer. Als een van de mensen had omgekeken had die ongetwijfeld een gil geslaakt of me op zijn minst gewaarschuwd. Maar niemand keek om.

Ik fietste de Amstel af tot aan de Munt. Af en toe schrok ik van een scherpe prik in mijn hals, maar als ik mijn hand erheen bracht zat er niks.
In de buurt van mijn oude huis zette ik mijn fiets aan de brug. Ik stak de straat over en liep de Kalverstraat in, dwars door de Kalvertoren naar mijn woning, boven de Vlaamse friet. Weer voelde ik een steek, vlak onder mijn kin. Vanuit een impuls sloeg ik het weg, voelde iets, greep het beet en zag het.
Het was de dikste spin die ik ooit had gezien.
Onmiddellijk liet ik los. Deed een stap naar achteren en schudde mijn hand uit. Ik had kippenvel over mijn hele lijf. Waar de spin was gebleven wist ik niet.
Ik wilde mijn jas uit rukken en op de grond gooien. Maar overal om me heen liepen mensen en de stad is vol gekken, ik wilde niet opvallen. Heel beheerst trok ik de jas uit. Het ding zo ver mogelijk van me af houdend liep ik naar huis. Ik sleepte hem de trap op, wierp hem op de kapstok in de gang. Toen bedacht ik me, opende de gangkast, gooide de jas naar binnen en sloot de deur.
Daar zou ik hem laten liggen. Misschien moest het eerst zomer worden en daarna weer winter, maar er zou een moment komen waarop ik het was vergeten, een moment waarop ik gewoon weer mijn armen in de mouwen zou steken, de knopen dicht zou maken, blij zou zijn met mijn mooie jas.

Dat moment is nooit gekomen.