zondag 24 mei 2020

Paula en Michael en Bob

Tijdens het YouTuben stuitte ik op een filmpje waarin Paula Yates Michael Hutchence interviewt voor een televisieprogramma. Ze liggen op een groot bed, de benen nonchalant vervlochten, de gezichten dichtbij elkaar en ze praten over Hutchences carrière. Het is bijna te intiem om naar te kijken.
Nadat ik het filmpje een keer of zes had bekeken, heb ik dagenlang filmpjes over en met Paula Yates, Michael Hutchence en Bob Geldof zitten kijken. Ik kon niet meer stoppen.

In Nederland was ze niet heel bekend, maar in Engeland was Paula Yates een beroemdheid. Ze presenteerde het hipste muziekprogramma op tv, The Tube. Ze was slim en grappig; niet perse knap, eerder een soort popversie van Tante Sidonia. Als je alleen haar stem zou horen zou je denken dat ze zes jaar oud was – en opeens vraag ik me af of Bubbles uit Absolutely Fabulous niet op haar is gebaseerd. Ik heb het gegoogeld, maar kan er niks over vinden.

Ik dwaal af, ik leg al dagen dwarsverbanden. Laat ik me beperken tot de feiten.
De feiten: ze had twintig jaar een relatie met Bob Geldof. Ze trouwden en kregen drie kinderen samen. Toen werd ze verliefd op Michael Hutchence.

Paula, Michael en Bob. Er gebeurde zó veel tussen die drie dat ik telkens mijn gedachten moet pauzeren als ik eraan denk. Maar niet de hoeveelheid gebeurtenissen maakt een verhaal, het narratief doet dat. In vrijwel alle docu’s en filmpjes die ik zag werd ingezoomd op Paula’s ‘instabiliteit’, met haar getroebleerde jeugd als vertrekpunt. Ik leerde dat Paula opgroeide met een moeder die het te druk had met filmster worden en een vader die ze vooral kende van tv, want hij was een beroemd talkshowhost en zelden thuis. Paula beschreef haar jeugd als eenzaam en geïsoleerd. Toen ze zeventien was ontmoette ze Bob Geldof, toen nog de zanger van een onbekend bandje, later redder van de mensheid. Als je dat zou willen, en ik begrijp dat het verleidelijk is om het zo te zien, zou je kunnen zeggen dat hij ook haar heeft gered.

De vraag die iedereen bezig hield – of die ons geacht werd bezig te houden: wat bezielde Paula Yates om de man met wie ze drie kinderen had, en die na Live Aid zo ongeveer als een heilige werd beschouwd, te verlaten?
Haar vrienden – dat stond tenminste onder in beeld als ze spraken: ‘old friend’ of ‘friend of Paula’s’ – begrepen wel waarom: ‘Ze had geen carrière meer en ze werd ouder, straks kende niemand haar meer. Een relatie met Michael Hutchence verzekerde haar in ieder geval van aandacht.’
Zo transformeerde Paula Yates van labiel kindvrouwtje tot een berekenend monster.

Voor Michael Hutchence was een andere rol bedacht, die werd, ondanks zijn gehoereer, zijn drugsgebruik en zijn onbetrouwbaarheid, in vrijwel alle filmpjes omschreven als een eindeloos lieve, zachtaardige man, warm, intelligent en cultureel onderlegd. Niks over zijn jeugd – behalve dat hij gedichten schreef.

Paula en Michael kregen samen een dochter. Michael kon zijn geluk niet op, dit was alles wat hij altijd had gewild, een gezinnetje. Hij ging een leesbril dragen en slobbertruien. Hij had het over een boerderij kopen op het platteland.
Maar zo ver kwam het allemaal niet.

Het verhaal van Paula, Michael en Bob heeft niet één, maar drie slotscènes. In de eerste slotscène maakt Michael Hutchence tijdens het beoefenen van wurgseks per ongeluk een einde aan zijn leven. Dat was wat Paula had gezegd tegen de politie nadat hij was gevonden. Er zijn schokkerige beelden waarop ze vlak na Michaels dood naar paparazzi, die haar een restaurant in gevolgd waren, schreeuwt: ‘Hij hield van kinky seksspelletjes!’
Inmiddels is er ook een andere versie van de waarheid uitgelekt. Na een val op zijn hoofd, jaren eerder, had Michael niet alleen geen reuk en smaak meer, hij had er ook depressies en agressieve buien aan over gehouden. Hij was zichzelf niet meer.

Eind november 1997 bevond Michael zich in een hotelkamer in Sydney, terwijl Paula in Londen met Bob een bittere strijd uitvocht over de voogdij over hun kinderen. Michael miste zijn dochter, hij kon niet zonder haar leven. Paula hoopte de feestdagen in Australië bij hem en zijn familie te kunnen doorbrengen. Maar ‘Saint Bob’, zoals Michael hem cynisch noemde, wilde dat voorkomen. Bob won. Een paar uur nadat Paula Michael had verteld dat ze niet konden komen met kerst, maakte Michael Hutchence een einde aan zijn leven.
‘Bob Geldof heeft hem vermoord!’ schreeuwt Paula Yates in een filmpje opgenomen vlak na zijn dood – en dat tot in de eeuwigheid op het internet zal blijven rondwaren.

Verschillende mensen hebben Michael nog gesproken tijdens zijn laatste nacht, waaronder Bob Geldof. Uit zijn telefoongegevens blijkt dat Michael hem om 5:00 heeft gebeld. De man in de hotelkamer naast die van Michael hoorde ‘een schreeuwende mannenstem’. We weten dat hij wanhopig en verdrietig was, dat hij had gedronken en drugs had gebruikt. We weten dat hij naakt was en een riem om zijn nek had die was bevestigd aan de deurknop. We weten veel meer dan we zouden moeten weten, maar we kunnen niet ophouden met dingen uitzoeken en de informatie ligt daar gewoon.

De tweede slotscène begint drie jaar na de dood van Michael Hutchence. Of misschien begint het al eerder, als Paula verneemt dat de man die ze altijd als haar vader had beschouwt niet haar echte vader is. En misschien heeft dit er ook niks mee te maken, wilde ze alleen weer eens wat anders voelen.
Ze had al twee jaar geen drugs gebruikt, zei een vriendin – want opeens komen drugs het verhaal binnen. Althans, ze waren er al eerder, alleen niet officieel. Heroïne. Michael gebruikte het en Paula, die voordat ze met Michael was, louter thee dronk en altijd vroeg naar bed ging, was ook gaan gebruiken. (Nietwaar, zeggen Michaels fans, Paula heeft hém juist aan de drugs gebracht.) In elk geval was de hoeveelheid heroïne die in haar bloed werd aangetroffen niet genoeg om een doorgewinterde gebruiker te doden. Maar wel een gelegenheidsgebruiker die al twee jaar niks had genomen. Paula Yates overleed aan een heroïneoverdosis. Een stomme fout en onoplettendheid, noemde de lijkschouwer het.

Epiloog: na Paula’s dood kreeg Bob Geldof kreeg de voogdij over het dochtertje van Paula en Michael. In weer een andere filmpje vertelt hij hoe hij haar beelden liet zien van zijn eigen band, Boomtown Rats, en van de band van haar vader, InXs. ‘That’s my dad,’ zei ze, ‘and that is my real dad. My real dad is a better singer.’
Bob vertelt het lachend. Het is bijna een happy end. Bíjna. Alleen is het verhaal nog niet afgelopen, want dan overlijdt Peaches, het middelste kind van Bob en Paula. Er wordt geen afscheidsbrief gevonden, en ook geen drugs – hoewel bekend was dat ze heroïne gebruikte. Peaches Geldof was 25 jaar en had twee kleine kinderen.

Nog één keer bekijk ik het interview van Paula met Michael op dat grote bed. De plagerige, directe manier waarop zij haar vragen stelt. En hij, hij houdt zijn hand voor zijn gezicht alsof hij zich wil verstoppen, zijn voorhoofd glimt van het zweet, zijn been zwaait af en toe ongecontroleerd heen en weer, als een bedeesd kind. Je ziet twee mensen die elkaar herkennen en daar hongerig, maar ook verlegen van worden. Je ziet onschuld.
‘Nothing good came of it,’ zegt Bob Geldof jaren later, ‘Nothing good.

dinsdag 12 mei 2020

Drie dagen

Op de 54-e dag van mijn verblijf in Afrika kreeg ik malaria. We hielden ons aan alle veiligheidsvoorschriften, we sliepen onder een muskietennet, we smeerden ons na zonsondergang in met Deet en we slikten trouw onze profilaxe. Maar een voor een vielen we, het meisje met wie ik uit Nederland was vertrokken als eerste, na tien dagen al, de rest van de groep volgde in de weken erna. Alleen mij kreeg de parasiet niet te pakken. Ik werd nonchalanter. Na een wandeling bij het Victoriameer, in de avondschemer, zat ik onder de muskietenbeten. Zes dagen later kreeg ik last van hoofdpijn en vermoeidheid.

We waren die middag aangekomen in een stadje waarvan we hadden gehoord dat het er elke dag om drie uur regende. Onzin, natuurlijk. Het was half drie en de zon scheen nog uitbundig. Maar om tien voor drie begon het opeens te betrekken en om twee over drie vielen de eerste druppels.

De volgende morgen had ik diarree als water. Ik wist wat me te doen stond: ik moet een malariatest laten uitvoeren en als ik besmet was drie dagen lang het paardenmiddel Fansidar slikken. Daarna was de parasiet dood.
Gelukkig was er een ziekenhuisje in het stadje. Het was nog vroeg in de ochtend toen we aankwamen, maar er stond al een lange rij wachtenden buiten. We sloten achteraan aan, mijn benen waren slap. In mijn moneybelt zat een setje steriele naalden. Dat was de belangrijkste les die we thuis hadden meegekregen: als je naar Afrika gaat moet je je eigen naalden meenemen. Het was 1989, we bevonden ons midden in de aidsepidemie.

Vrijwel onmiddellijk nadat we in de rij voor het ziekenhuis hadden plaatsgenomen kwam er een man in een witte jas naar buiten die verschrikt op ons af kwam. ‘Zijn jullie verdwaald?’
‘Nee, ik kom voor een malariatest.’
Hij fronste. ‘Hoe komen jullie hier?’
‘Lopend.’
‘Wie heeft jullie gestuurd? Zijn jullie studenten medicijnen?’
‘Nee, ik wil gewoon een malariatest.’
‘Kom, kom.’ Haastig noodde hij ons binnen.
We namen plaats in zijn kantoortje. Op het bureau stond een glazen pot met een roze vloeistof waarin een naald dreef. Aan de muur hingen propagandaposters voor family planning. De verpleegster werd weggestuurd om thee voor ons te gaan maken. We kletsten over Afrika en Europa en Arnold Schwarzenegger. Het was reuze gezellig. Toen schroefde de arts de dop van het potje roze vloeistof. Ik dacht aan de naalden in mijn moneybelt, maar zei niks. Ik wilde hem niet voor het hoofd stoten. Ik gaf hem mijn vinger, hij stak zijn naald erin en gaf het resultaat aan de verpleegster mee. Na een halfuurtje kwam ze terug: ik testte positief op malaria. Ik kreeg drie pillen ter grootte van aspirines mee en moest beloven nog eens langs te komen voor een kopje thee.

Terug in het hotel trok mijn reisgenoot mijn schoenen van mijn voeten waarna ik uitgeput op bed zakte. Een voor een kwamen de gasten van de andere kamers, allemaal Afrikanen, langs om te vragen hoe het met me ging en om te zeggen dat ze voor me zouden bidden. Om drie uur betrok de hemel en begon het te regenen. Ik schreef brieven naar huis waarin ik, niet zonder trots, meldde dat ik malaria had. Nu was ik pas een reiziger.
Ook in de weken daarna, toen ik nergens meer last van had, dacht ik nog vaak met trots terug aan die drie dagen in het stadje waar het elke dag regende. Ik was 19 en ik had malaria gehad. Ik had geleefd.

dinsdag 7 april 2020

Ploegstraat 57

Ik ging naar Betondorp om naar het huis van Gerard Reve te kijken. Het huis waarin hij de eerste twaalf jaar van zijn leven had gewoond. Ik had het adres op internet opgezocht, het nog drie keer gecheckt en het op een briefje geschreven. Ploegstraat 57.
Het was een stralende zomerdag. Ik fietste een stukje over de Weespertrekvaart, sloeg af, onder de snelweg door, langs de begraafplaats en reed pardoes de Ploegstraat binnen. Dat was niet wat ik had verwacht. Ik had verwacht dat ik een beetje zou moeten zoeken, het een keer moest vragen en dan, ja dan tenslotte.
Maar ik was er al, ik stond voor nummer 7. Om het toch nog wat te rekken stapte ik af en liep met de fiets aan de hand verder, uitgebreid om me heen kijkend. Dat viel niet mee. Betondorp staat bekend om zijn tot de verbeelding sprekende architectuur, maar de Ploegstraat bevond zich in het grauwe, troosteloze deel. Dat paste natuurlijk, het paste perfect. ‘Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit,’ zei Reve over zijn buurt.
Toen stond ik voor nummer 57. Ik pakte mijn briefje erbij om het te checken, want dit kon het toch niet zijn? Een anoniem rijtjeshuis. Geen bordje, geen plaquette, niks. Ik bleef staan omdat ik vond dat ik moest blijven staan. Er kwam een man naar buiten met een Dirktas onder zijn arm. Hij keek heel nadrukkelijk niet naar mij, terwijl ik heel nadrukkelijk wel naar hem keek.
Daarna fietste ik naar het adres waar Werther Nieland had gewoond. De echte Werther Nieland, die anders heette. Ook hier kwam iemand naar buiten, een vrouw met een slecht gebit. Dat ze een slecht gebit had zag ik doordat ze naar me lachte.
Bij het verlaten van de wijk kwam er een oudere man op een brommer op me af rijden. Zijn knieën staken opzij, alsof de brommer een te klein kinderfietsje was. Hij stopte en vroeg me of ik wist waar de Akkerstraat was. Daar was Johan Cruijff opgegroeid wist ik, op nummer 32. Ik was er net langs gekomen. Ik wilde tegen de man zeggen: Keer om en ga naar huis, met medeneming van uw illusies. Maar ik was Reve niet, dus ik wees achter me en zei: ‘Daar.’

woensdag 18 maart 2020

Augustus in maart

We troffen elkaar op de stoep voor haar huis. Met uitgestrekte arm reikte ik haar het tasje groente en fruit aan dat ik van een buurman had gekregen wiens familie een aantal horecazaken bezat die gedwongen waren de deuren te sluiten. Ik was vreemd zenuwachtig, alsof ik morgen jarig was.

We namen de rustige route langs het water, zij liep op de stoep, ik op straat, er was toch amper verkeer. Het leek zo’n hete zomerdag waarop de stad is uitgestorven omdat iedereen op vakantie is. Het was een beetje augustus in maart.

We hadden het erover dat onze dagen er niet heel veel anders uitzagen dan anders. Alleen onze lessen gingen niet door. Ik had uitgerekend dat ik zo’n 2500 euro misliep. Maar voorlopig redde ik het nog.

Voor de brug moesten we wachten op een binnenvaartschip. In de kleine stuurhut stonden vier mensen. Een van hen stak zijn hand op en keek me droevig aan. Ik wilde mijn handen aan mijn mond zetten en roepen: hoe is het daar, waar jullie vandaan komen? Zijn er nog overlevenden?

Voor een rij brievenbussen onder een flatgebouw stonden twee vrouwen twee meter uit elkaar hun post uit hun brievenbus te halen.
‘Kijk, zij doen het goed,’ zei mijn vriendin.
Opeens konden we niet meer ophouden met lachen. Het was lekker lachen, als iets van lang geleden.
‘Even wisselen,’ zei mijn vriendin toen, ‘anders krijg ik een stijve nek.’
Ik ging links lopen, zij rechts.
‘Dat is wel meer dan anderhalve meter, hè!’ riep een fietser die tussen ons door reed.
Weer rolden we bijna over de grond van het lachen.
‘We kunnen naar Bloemendaal rijden,’ zei mijn vriendin. ‘In de auto is het veilig. Als jij op de achterbank gaat zitten.’
‘Ik kan in je nek niezen.’
‘Niet als je schuin achter me gaat zitten. Dan zit er toch wel anderhalve meter tussen?’ Ze keek dromerig voor zich uit. 'De snelweg is misschien wel helemaal leeg.'

We liepen het oude marineterrein op. Bij Pension Homeland zaten twee mensen aan een tafeltje koffie te drinken. We drukten onze neus tegen het raam. De gasten bleven stoïcijns voor zich uit kijken, alsof ze inmiddels gewend waren aan kijkers. Er kwam een ober aan lopen met twee glazen sinaasappelsap. Aan de andere kant dook een ober op met een groot bord roerei. We keken ernaar alsof het tropische vissen waren in een aquarium.
Een van de obers kwam naar de deur. Vanuit de deuropening schreeuwde hij ons toe: ‘Zolang er toeristen zijn moeten we open blijven! Ze kunnen nergens anders heen! Pas als ze zijn vertrokken kunnen we dicht!’ Het was een prachtig, maar droevig stemmend beeld.

We liepen te lang door in de snijdende wind en het schelle licht, thuis brak er migraine door van de ergste soort. Vechtend tegen de misselijkheid en met een bonkend oog gaf ik mezelf een injectie. Ik trok de gordijnen dicht en kroop in bed.
Zó erg kan corona niet zijn, dacht ik.
Tenzij je dood ging.

Ik werd wakker van iemand die luidkeels orgasmeerde. Het was 22:50. De migraine was grotendeels verdwenen. Ik stond op en ging de afwas doen.