vrijdag 13 oktober 2017

Het experiment

Een poosje geleden ging op social media een filmpje rond waarin mensen konden ervaren hoe het is om migraine te hebben. Vrienden en familieleden van migrainepatiënten kregen in het filmpje twee minuten lang een virtual-realitybril op waarmee de visuele effecten van een migraineaanval werden nagebootst. Allen waren na afloop hevig onder de indruk.
‘Mijn god,’ zei een vrouw tegen haar beste vriendin. ‘Ik snap niet hoe jij nog kunt functioneren.’ Een andere vrouw sloot geëmotioneerd haar dochter in de armen. ‘Ik vind het zó erg dat je hier doorheen moet.’ En een man wiens partner aan migraine leed, zei berouwvol tegen haar: ‘Het spijt me dat ik ooit aan je heb getwijfeld.’

Wat hadden de proefpersonen nu precies te zien gekregen? Ook dat liet het filmpje zien: dansende en golvende lijnen, felle lichtflitsen en zwermen witte stippen die door hun beeld vlogen. Een beetje zoals een lsd-trip doorgaans in films wordt uitgebeeld.
Ik stond paf. Als dít migraine was, hoorde je mij niet klagen.

Ik heb het even opgezocht, maar bij slechts 30% van de migrainepatiënten gaat een aanval gepaard met aura’s. En zelfs van die groep vraag ik me af of ze zich zal herkennen in het filmpje. Want waar was de misselijkheid, waar was het overgeven, het rillen, het zweten, de overgevoeligheid voor licht en geluid, en vooral: waar was de pijn?

Het filmpje was geproduceerd door een bedrijf dat pijnstillers maakt. De boodschap: migraine is een onbegrepen ziekte, maar wij begrijpen het wel; koop ons middel.

Mochten ze ooit besluiten een vervolg op dit filmpje te maken, dan heb ik nog wel een paar tips voor ze. Zorg dat het experiment zich afspeelt in een pretpark. In een achtbaan of een spin of een ander draaierig makend apparaat. Bind de proefpersoon vast in het bakje en laat hem urenlang de meest misselijkmakende duiken en buitelingen maken, terwijl naast hem iemand zit die ritmisch en onvermoeibaar met een vuist op zijn oog slaat. Om de werkelijkheid zo dicht mogelijk te naderen klinkt er onophoudelijk knalharde stampmuziek en kijkt de proefpersoon recht in een schelle schijnwerper, afgewisseld door stroboscooplicht. Daarnaast is het beurtelings snikheet en ijskoud, en het experiment duurt geen twee minuten, maar twee dagen. Om daarnaast duidelijk te maken wat het effect van migraine is op het dagelijks leven van een patiënt vindt het experiment plaats op zijn verjaardag, of de verjaardag van iemand die hem lief is.

Maar dat zal wel weer niet te realiseren zijn.

Column voor tijdschrift Hoofdzaken.

donderdag 5 oktober 2017

The Wreck of the Unbelievable

Drie kwartier na thuiskomst uit Venetië, begint de wereld te deinen. Misschien heb ik omgekeerde zeebenen. Ook heb ik het opeens verschrikkelijk koud, maar dat is natuurlijk niet gek, ik bevind me weer een stuk noordelijker. Ik neem een hete douche en kruip in bed. Dat had ik misschien beter niet kunnen doen. Mijn matras blijkt te zijn veranderd in een vlot op zee. Stijf knijp ik mijn ogen dicht en ik hou me vast. Beelden van kromme stegen, huizen van suikergoed, mensenmassa’s die tegen de richting in lopen, alsof ze worden voortgedreven door een baas met een zweep – weg, opzij!
Ik spring uit bed, hol door de gang, de deur, de wc, het deksel, omhoog. Net op tijd.

Opgelucht terug naar bed. Dat hebben we gehad. Een ruwe landing, meer niet.
Ik zak weg. Halfgoden en mythische wezens komen langs mijn bed, hermafrodieten, sfinxen, hagedissenmannen, Kate Moss en Mickey Mouse en Pharrel Williams als sfinx.
Mijn lichaam port me wakker. Het is nog niet klaar. Heen en weer hol ik. En tussendoor slaap ik snippers. Ik kots zittend in bed. Ik kots knielend voor een teiltje op de vloer. Ik kots in de wc. Ik val in slaap met mijn armen om het teiltje geslagen, misschien tien minuten, een halve seconde, ik schrik wakker en kots opnieuw. De zelfverzekerdheid waarmee mijn lichaam de klus klaart stelt me gerust, laat mij maar, jij hoeft niks te doen. Maar na een keer of tien begin ik me af te vragen of het wel weet wat het doet, het blijft pompen, maar mijn maag is leeg – hou op, hou nou toch alsjeblieft op.
Ik merk nu pas dat ik onder de muggenbulten zit. Ik had geen mug gehoord of gezien daar. Muskieten? Die hoor je niet. Misschien heb ik malaria.

Nee. Ik weet het.
Maar eerst moet ik kotsen.

Clostridium perfringens. Bacterie die groeit op eten dat niet snel genoeg afkoelt of te lang wordt bewaard. Slaat na vier tot zestien uur toe.
De lasagne die ik een paar uur voor vertrek at. Een losgesneden rechthoek. De rest in een schaal die misschien al een dag op het aanrecht stond, of drie dagen in de koelkast – het duurde in elk geval lang voordat hij voor me op tafel stond.
Maar wat een waanzinnige stad, een pretpark voor volwassenen, een adembenemend doolhof. De merkwaardige groene kleur van het water dat overal was. Af en toe schoof er een flatgebouw voor de zon, de haven uit, de zee op.
Ik zak weer weg, mijn hoofd tegen de muur. In het donker naast mijn bed zweven drie identieke rode tekentjes. 3:33. Een neonkunstwerk. Hongaars paviljoen? Koreaans? Nabisch?
Morgen ben ik een wrak – maar een ongelooflijk wrak.

zondag 24 september 2017

Hoe het was en hoe het ging

Nadat ik een stuk in The Guardian las over de uit de pan gerezen huurprijzen van woningen in het centrum van Amsterdam, besloot ik mijn oude woning in de Frietsteeg te googelen.
Tien jaar heb ik er gewoond, half boven het inmiddels wereldberoemde Vlaamse frietloket en half boven een Turkse kleermaker die een etage huurde waarin je niet rechtop kon staan, een soort Being-John-Malkovic-verdieping.
900 euro per maand wilde de huisjesmelker die de halve straat bezat hebben voor de woning die ik van hem huurde. Nadat ik de huurcommissie had ingeschakeld werd de huurprijs teruggebracht naar 360 en was onze verstandhouding voorgoed verpest. Intimidaties, reparaties waar ik zelf voor opdraaide, kauwgum in mijn sleutelgat, you’ll name it, he did it.

Inmiddels is de huurprijs 1400 per maand, zie ik: de woning staat op Funda en is sinds twee maanden weer verhuurd. Er zit een nieuwe keuken in en de muren zijn gewit, maar de oude stopcontacten waar soms wel en soms geen stroom uit kwam, zitten er nog, even als de rochelende radiatoren. Ik lees dat hij een ‘splitsvergunning’ heeft aangevraagd, mijn ex-huisbaas, om van die woning van vijftig vierkante meter twee woningen te maken. Lekker knus.
Een paar deuren verder verhuurt hij een etage met de zolder erbij voor €3250,- per maand. Je moet maar durven. Maar ik ken hem: hij durft dat. En hij is niet de enige, verderop in de straat verhuurt iemand een kelder van 28 m2 waar nooit daglicht komt voor 1500 euro per maand. Voor dat geld is het wel gemeubileerd (een wit leren loveseat en barkrukken langs de muur) en heb je marmer in de badkamer.

Veel van de woningen van vijf jaar geleden zijn inmiddels geen woning meer, zie ik, en de brandweer moest vaak uitrukken. Alles staat op internet.
Alles. Want opeens zie ik een foto van de straat bij nacht, twee jongens in een verder uitgestorven straat. Het is een foto van een bewakingscamera die zo te zien aan de gevel hangt van het café waar ik tegenover woonde. De twee jongens hebben iemand zeer ernstig mishandeld, waarna (ik citeer de krant) het slachtoffer voor dood op straat bleef liggen. Vlak naast het gedenkteken tegen zinloos geweld dat daar is aangebracht nadat er een jongen was doodgeschopt.

Ik ken dat gedenkteken, een zwarte vierkante steen tussen de straatklinkers. Eens per jaar werden er zonnebloemen op gelegd, die de volgende morgen door de mannen van de gemeentereiniging voorzichtig tegen de gevel werden gelegd, waar ze nog een dagje bleven liggen. Boven de gedenksteen hangt een neon bord. Het hing pal voor mijn slaapkamerraam, vier letters, een levensgroot HELP.
Dat schenen zijn laatste woorden te zijn geweest. Ik keek ernaar, de eerste dag dat ik er kwam wonen en zei tegen mezelf: de kans dat zoiets hier nog een keer gebeurt is statistisch gezien nul.
Je moet toch wat. Maar het werkte, nooit heb ik me onveilig gevoeld in die rare, rumoerige steeg. Ik sliep slecht, maar dat was het.

En zelfs blijkt niet waar te zijn. Want als ik doorgoogel (terwijl ik weet dat ik moet stoppen) lees ik over het volgende slachtoffer van zinloos geweld in die straat. April 2011. Zes mannen. Ik woonde er nog. Ik was niet op vakantie. Achter de dichtgetrokken gordijnen op de eerste lag ik. Me veilig te wanen. Ik ben er dwars doorheen geslapen.


Laatste week om te doneren voor de bundel De Frietsteeg en andere stukken!
Klik hier.

maandag 18 september 2017

Escape

Op het smalle pad langs de gracht waarachter de hoge muur staat die ontsnapte gevangenen eerst nog moesten zien te bedwingen, staan twee toeristen. Ze hebben grote koffers bij zich en kijken vertwijfeld naar de torens van de voormalige bajes. Er is onlangs een hotel geopend, maar niemand weet waar de ingang is, zal de medewerkster van het Tijdelijk Museum ons even later vertellen. ‘Je moet een nummer bellen en dan komen ze je ophalen.’ Er is ook een escape room, maar ze weet niet waar.
We kopen een kaartje voor het museum. Dit is mijn derde bezoek. In de voormalige spreekkamers, die nog het meest doen denken aan kelderboxen, exposeren kunstenaars. Niemand komt hier voor de kunst. De kunst is slechts een excuus, iedereen komt voor de bajes.

‘Ik kom hier elke dag,’ zegt een aanwezige kunstenaar, ‘maar ik snap nog steeds niet hoe dit gebouw in elkaar zit. Het is zo ontworpen dat als iemand ervandoor ging, hij niet de weg naar buiten kon vinden.’
We komen langs een glazen bewakingshok waarin twintig stoelen staan opgesteld, alsof er aan de andere kant van het glas, waar wij lopen, een voorstelling te zien is.
Ik moet denken aan het vuurwerk. Toen ik hier net in de buurt woonde, hoorde ik ’s avonds soms knallen. Dan werd er op de hoek van de straat vuurwerk afgestoken door mensen die riepen en zwaaiden naar de witte torens. Misschien was er daarbinnen iemand jarig, of moest er iemand worden opgebeurd.
‘Fleur Agema van de PVV,’ zegt mijn vriendin. ‘Die heeft architectuur gestudeerd aan de kunstacademie. Weet je wat haar master was?'
Ik schud mijn hoofd.
‘Een ontwerp voor een gevangenis.’
‘Rita Verdonk,’ zeg ik. ‘Die was gevangenisdirecteur.’
‘Het ruikt hier raar,’ zegt mijn vriendin.

We duwen een deur open. Plotseling staan we in het AZC. Er is geen mens te zien. De klaslokalen zijn leeg. De gezamenlijke huiskamer is leeg. Er ligt speelgoed, er staat een klein schoolbord dat is schoongeveegd. Tafels, stoelen, luie banken, verder: niemand, leeg.
Wie verzint dit, om vluchtelingen te huisvesten in een gevangenis? (‘Het is geen echte gevangenis, hoor. Prison, but no prison,’ je hoort het ze zeggen tegen de nieuwe buslading mensen die arriveert, al hun bezittingen in één Lidl-tas.)

We lopen in cirkels. Daar is de kunstenaar weer die zei dat ze nog steeds niet begrijpt hoe dit gebouw in elkaar zit. We moeten de pijlen op de vloer volgen, zegt ze. We volgen de pijlen en dan bevinden we ons opeens in een verduisterde gang die leidt naar een onverlicht trappenhuis. Onderaan de trap is een halletje, een deur, en dan staan we in een soort lobby. Door het glas heen zien we mensen die buiten in de zon koffie drinken. We duwen de deurkruk naar beneden. Hij geeft niet mee. De deur zit op slot. We kijken naar de mensen, ze zien ons niet. Terug het donker in, er zit niks anders op. Over de trappen die zo zijn ontworpen dat je er niet vanaf kunt hollen, ze zijn te steil en de afstand tussen de treden is te groot – dat is me een vorige keer door iemand verteld. Op goed geluk trekken we een deur open. Daar is onze kunstenaar weer. Ze lacht naar ons. In de cel waarin ze haar werk tentoonstelt zit een kind op een stoel met zijn veel te korte benen te zwaaien. Naast hem ligt een zakje krentenbollen.
Hij weet nog niet dat hij hier nooit meer uit komt.