maandag 3 december 2018

Verstopt

Ik had een verstopte gootsteen en omdat ik een hekel heb aan vrouwen die niet eens hun eigen spijkers in hun eigen muur slaan, maar daarvoor de hulp van een man inroepen, zei ik tegen iedereen die het horen wilde dat ik dit varkentje wel eens even zou wassen.
Ik zette een emmer in het gootsteenkastje, zocht een instructief YouTube-filmpje en liet me voordoen hoe je de boel losdraait en ontstopt daaronder.

Fluitje van een cent. Ik draaide ringen los, trok stukken pijp uit elkaar en pakte een lang stuk ijzer (nee, geen breipen) om mee te poeren.
Nergens een verstopping te vinden. Het zat waarschijnlijk dieper. Of hoger. In elk geval moeilijk bereikbaar. Dat was een beetje een tegenvaller. Ik draaide alles weer vast, zette de kraan open om te controleren of ik het goed had gedaan en hoorde hoe het begon te tikken in het gootsteenkastje.

De boel lekte. Ik draaide de ringen weer los, plaatste pijpdelen heel zorgvuldig op elkaar en draaide de ringen stevig vast. Het bleef lekken. Besluiteloos bleef ik op de keukenvloer zitten, omringd door flessen schoonmaakmiddelen. In het gootsteenkastje klonk vermanend getik.
Ik pakte de informatiemap van de woningstichting om te kijken of verstoppingen in de servicekosten zaten. Het was vrijdagmiddag, drie minuten over vijf. Ik belde toch maar. Ze waren maandagmorgen om acht uur weer bereikbaar. Ik bond een ouwe handdoek om de pijp en duwde het kastdeurtje dicht. Misschien moest ik eerst een kop thee drinken.

Vanaf de bank luisterde ik naar het gesmoorde getik in de keuken. Eén keer kwam ik overeind, om de schoonmaakmiddelen achter de deur te schuiven, waar ik ze niet zag.

De rest van het weekend deed ik niks meer. Ik at en dronk een beetje om de verstopte gootsteen heen, deed de afwas in de douche en constateerde dat dat helemaal niet zo onhandig was als ik had gedacht, het was eigenlijk heel goed te doen.

Inmiddels is het maandag. Maandagavond. Alweer te laat om te bellen, ik zal tot morgenochtend moeten wachten. Het beetje moed dat ik had verzameld ligt alweer verspreid door het huis, onder mijn bed, achter een kast, de poes is ermee vandoor gegaan (zij wel) en als ik het raam openzet zie ik deeltjes ervan opwaaien en verdwijnen.
In een grote boog beweeg ik me om het gootsteenkastje heen. Daarbinnen zit het, daar. Inmiddels pieker ik er niet meer over om het kastdeurtje open te trekken.

maandag 8 oktober 2018

Erbij

Op het vliegveld van Rome werd ik eruit gepikt. Mijn jurk was klam en kreukelig, mijn gympen waren goor, ik had een glittertasje van de Action om mijn nek voor mijn pasjes en mijn telefoon, en een strakstaand gezicht van de stress. Ik zou mij er ook uit hebben gepikt.

Ik werd naar de kant geleid, waar al twee mensen met schuldige gezichten stonden. We ontweken elkaars blik. Er kwam een vrouw aan met ruimzittende plastic handschoenen aan, het soort dat je draagt als je je haar verft. In haar hand hield ze een strookje papier. Ze streek ermee over mijn handpalmen, over de rug van mijn handen en toen over mijn schoenen.
Ik had genoeg tv-programma’s over vliegvelden gezien om te weten wat ze deed.
Ze voerde een drugstest uit.
Had ik? Was ik?
In een tijdsbestek van seconden ging het in mijn hoofd van ‘natúúrlijk heb ik geen drugs bij me’ naar ‘ik vervoer drugs en zij weten het.’
De vrouw schoof het strookje in de machine die het zou analyseren – ik herkende het apparaat van tv – en straks zou op het beeldscherm verschijnen: 100% heroïne. Of: 100% cocaïne.
Ik probeerde me te herinneren waar ik de drugs had verstopt. De medicinale wietolie had ik thuisgelaten. Bovendien waren ze hier niet gek, ze wisten heus wel wat wietolie was. Dit ging om het zwaardere werk.

Toen wist ik het. Mijn tas. De groene Puma-tennistas die alleen nog uit de berging kwam als ik kort op reis ging. Maar lang geleden deed hij ook een poosje dienst als wastas. Mijn wasmachine was stuk en ik deed de was bij mijn geliefde. Er werd dagelijks geblowd in dat huis. Op oudejaarsavond deelden we een ecstacypil die we doormidden sneden met een keukenmesje en ik wist dat er lsd-zegeltjes in de koelkast lagen. Mijn wastas, die er vaak op de vloer had gestaan, was vast bezaaid met drugsdeeltjes. Drugsdeeltjes aan de hengsels, drugsdeeltjes aan de ritsen, drugsdeeltjes overal.
Ik was erbij.
Naast verslagenheid en ergernis voelde ik ook wat anders. Als je zoals ik door het leven gaat met het gevoel dat je elk moment door de mand kan vallen, is het ook een opluchting als dat eindelijk eens gebeurt.

Ik vroeg me af hoe ik me hieruit kon redden, wie ik kende die me op dit gebied zou kunnen bijstaan. Misschien kon ik er maar beter niemand mee lastig vallen. Ik zou een poosje worden opgesloten, zo erg was dat niet, ik kan goed alleen zijn. Ik zou Italiaans kunnen leren en eindelijk eens de grote Russen kunnen lezen. Misschien was het ook een goede gelegenheid om wat af te vallen. Hoewel ik dat betwijfelde. In tv-programma’s die ik had gezien over gevangenissen waren de gevangenen altijd dik. Behalve degenen die daar duidelijk geen aanleg voor hadden.

De vrouw met de plastic handschoenen was weggelopen. Blijkbaar had de testmachine meer tijd nodig voor de analyse. De rij plastic bakken waarin de handbagage door de scanner ging was tot stilstand gekomen. De voorste twee bakken hielden de boel op. Die waren van mij. Ik keek naar mijn groene Pumatas die op zijn kant in de bak lag, doodstil, en ik moest denken aan die keer dat ik onverwacht vanachter een raam mijn koffer tussen andere koffers op een bagagekar bij een vliegtuig had zien liggen. Het ontroerde me, ik vond hem opeens zo dapper en alleen, die koffer van me. Nu voelde ik iets van een vergelijkbare strekking, alleen bitterder.

Ik en de twee naast me wachtten nog steeds op de uitslag. Drie nieuwe verdachten werden onze kant op geleid. Er was geen plaats meer voor ze. En met een afwezig gebaar van haar in plastic gestoken hand maande de vrouw mij en de andere twee om door te lopen.
Wacht, wilde ik zeggen, en de uitslag dan? Maar ze lette al niet meer op me.
Ik hing het glittertasje weer om mijn nek, pakte mijn groene Pumatas uit de bak en moest denken aan een andere ex-geliefde, eentje die nooit drugs gebruikte. Voor zijn verjaardag had hij eens, voor de lol, een brokje hasj gekregen. Hij had het in zijn portemonnee gestopt en was het vergeten. Enige tijd later vloog hij naar Londen, vanaf Londen naar Barbados en vanaf Barbados naar Grenada, en twee weken later weer terug via Barbados en Londen naar Amsterdam. Toen hij bij thuiskomst zijn tas uitpakte ontdekte hij het stukje hasj dat al die tijd in zijn portemonnee had gezeten.
Het leven hangt van willekeur aan elkaar. Beter om daar niet tegen te protesteren.

donderdag 20 september 2018

Schaduw

Ik stond voor het huis van F, die een paar weken eerder overleed. Nog een keer drukte ik op de bel, maar niemand deed open. Door het raam zag ik vuile bordjes op het aanrecht staan. Ik belde het telefoonnummer dat ik nog altijd uit mijn hoofd ken en hoorde F. zeggen dat hij er niet was. Ik wilde achterom gaan, maar zag nog net op tijd de slagboom van spinnenwebben en de dikke spin die de wacht hield.

Terwijl ik wegliep belde F’s dochter. Ze had zich vergist, het was niet vandaag, het was morgen. Ik was voor niets gekomen. Terug naar de tramhalte volgde ik de route die ik op mijn zesde en mijn zevende twee keer per dag aflegde tussen huis en school. Met mijn zusje aan de hand. Met een zwemtas op mijn rug of met een hyacint die thuis uit een bol was gekomen, een gebeurtenis die zich in mijn herinnering wekelijks afspeelde, terwijl het in werkelijkheid niet meer dan twee keer kan zijn geweest. Dezelfde route liep ik nu, maar mijn school was verdwenen. Er was niet eens een lege plek, er stond gewoon wat anders. Overal zag ik bulldozers en bergen zand. Ze waren mijn jeugd aan het wegwerken. Het had lang genoeg geduurd.

Wel zag ik nog overal mijn achternaam. Als kind vond ik dat heel normaal, vanzelfsprekend zelfs. Natúúrlijk stond er niet alleen op het bordje naast onze voordeur ‘Groen’, maar woonden we ook in de Groenelaan, deden we boodschappen in Groenhof en ging mijn zusje naar een kleuterschool die De Groentjes heette – hoe had het anders moeten heten?

Bij de tramhalte aangekomen kon ik mijn OV-kaart niet vinden. Ik was hem verloren. De dag had een balans aangebracht: ik had iets teruggezien en was iets kwijtgeraakt.
Ik reed zwart terug naar huis – ook dat was een tijd geleden - en glipte als iemands schaduw door het metropoortje. Verbaasd dat ik niet werd opgemerkt.

donderdag 26 juli 2018

Beton

Ik ging naar het Stedelijk om de hitte te ontvluchten en om het zwevende betonblok van Studio Drift te zien. Ik had er filmpjes van bekeken en moest dan altijd denken aan de vrouw zonder hoofd die ik op mijn tiende op de kermis zag. Ik denk nog vaak aan die vrouw. Op welk moment ik ontdekte dat het een truc was en ze waarschijnlijk wél een hoofd had, weet ik niet meer, ik weet alleen nog dat ik teleurgesteld was. Liever was ik blijven geloven dat ze zonder hoofd door het leven ging. We denken altijd dat we de oplossing van een raadsel willen, maar we willen het raadsel. De oplossing is het einde, het einde van het geloof dat alles mogelijk is. Wie wil dat?

Ik had me voorgenomen het zwevende betonblok niet te googelen, niet te gaan zoeken naar verklaringen, alleen maar te gaan kijken. Vijf minuten nadat het museum open was gegaan stond ik binnen. Ik besloot niet recht op mijn doel af te gaan, maar gewoon wat rond te lopen. Ik zag een andere tentoonstelling, die best mooi was, maar echt boeien deed het niet. Daarvoor was ik teveel bezig met het zwevende betonblok.

Toen kwam ik bij Coded Nature aan. Er was van alles met lampjes dat golfde en bewoog, er waren video’s en blokjes grondstoffen. Ik nam overal de tijd voor, ik bouwde een spanningsboog. Maar welke zaal ik ook betrad, nergens het zwevende betonblok.

Ik begon een beetje te twijfelen aan mezelf. Misschien was het betonblok hier helemaal niet, maar hing het in Berlijn of in Tokyo of waar dan ook. Of misschien was het alleen tussen 12 en 2 te zien en hing het nu ergens uit te rusten. Iedereen wist dat, behalve ik.

Ik doorliep nogmaals de expositie en keek in elke zaal omhoog, maar zag niks. Ik overwoog om het aan een suppoost te vragen, maar ik aarzelde te lang en toen durfde ik niet meer. Ik besloot nog een ronde te lopen, ik kon het museum toch niet verlaten zonder dat ik het betonblok had gezien? Ik negeerde de blikken van de suppoosten die mij voor de derde keer aan zagen komen en besloot op grote groepen mensen te letten: daar was het vast. Maar weer vond ik het niet. Ik werd een beetje boos – was ik hiervoor door die schijthitte naar het museum gefietst?

Bij een liggende boom bleef ik staan. De blaadjes bestonden uit blauwe led-lampjes die een voor een aangingen. Terwijl ik keek hoe de blauwe gloed langs de takken trok werd ik overspoeld door een intens gevoel van geluk. In mijn borst zwol iets, tranen sprongen in mijn ogen – ik verzin het niet. Ik raakte ontroerd bij het zien van de blauwe lampjes. En dat was niet voor het eerst.

Op een winteravond jaren geleden liep ik over het Rembrandtplein. Ik had naderende migraine en haastte me naar huis. In de kale takken van de bomen zaten helder blauwe lampjes. Ik liep erlangs en het trof me. Ik keek achterom en het trof me opnieuw. Het had niks met mooi of lelijk te maken, het had met mij te maken. Het was een vinger die ergens diep van binnen, waar ik niet bij kon, in een gestold plasje geluk poerde, een gaatje in het vel prikte, waardoor de geur ontsnapte.

Ik dacht dat het door de migraine kwam, maar later overkwam het me nog een keer, op een volkomen migrainevrij moment. En toen nog een keer, tijdens een verblijf in het buitenland.
En nu stond ik hier voor een museumboom met blauwe lichtjes en ervoer ik het opnieuw.
Een pure vorm van geluk.
Geen idee waar het vandaan kwam. Ik hoefde het ook niet te weten, het voelen was genoeg.
Ik kon verder lopen, nog een rondje maken, maar iets vertelde me dat hier geen zwevend betonblok tegenop kon. Ik liep de trap af, het museum uit en fietste terug naar huis.