zondag 4 augustus 2019

Mzungu

Ik las een stuk op de website The Huffington Post over een jonge Afro-Amerikaanse vrouw die verslag uitbracht van een reis in haar eentje door een aantal Aziatische landen. Ze was verschrikkelijk lastig gevallen. Overal werd ze nagestaard, vooral in India staarden de mannen onafgebroken en schaamteloos. Mensen wilden haar haar aanraken. In Vietnam ging ze eens naast een vrouw met een baby op een bankje zitten, de vrouw sprong op en maakte zich met haar baby uit de voeten. In café’s maakten mannen gebaren naar haar die zeiden: naar boven, jij en ik, nu.

Iemand schreef in de comments dat als de schrijfster van het stuk misschien de moeite had genomen de bevolking te leren kennen, ze minder negatief over ze had gedacht. Daaronder beet iemand de schrijfster van de comment toe dat ze het stuk moest lezen, de vrouw had juist besloten afstand te houden nádat ze deze vervelende ervaringen had opgedaan. Beter lezen, trut.

Een ander die het waagde commentaar te hebben op het stuk kreeg de term white privilege naar haar hoofd geslingerd. Maar veruit de meeste comments zeiden dingen als: Wat vreselijk dat je zo veel racisme hebt moeten ervaren in Azië. Een aantal Aziaten voegde daaraan toe: Namens alle Aziaten bied ik mijn excuses aan.

Een aantal schrijvers van comments dacht dat in Azië blanken woonden, ze hadden het in elk geval steeds over de witte mensen die de Afro-Amerikaanse zo behandeld hadden. Vreemd genoeg zei geen van de Aziaten: wij zijn niet wit! Ze hadden het te druk met zich in schaamte te hullen.

Er was ook een lerares uit Rwanda die reageerde, zij had leerlingen die graag wilden reizen, ze zou ze waarschuwen voor wat ze te wachten stond.
Ja, doe dat, schreven anderen, goed idee!

Ik dacht terug aan de tijd dat ik als 19-jarige door Afrika reisde. Overal werd ik aangestaard, ik werd er krankjorum van. Waar ik ook keek, overal loerende ogen. Op het platteland kreeg ik soms groepen joelende kinderen achter me aan, een enkele lachende volwassene erbij. ‘Mzungu!’ riepen ze me na, wat ‘blanke’ betekent en niet persé een vriendelijk woord is.
Soms wilden mensen mijn haar aanraken – een hoer met glazige ogen, een groepje vrouwen dat giechelend bescherming zocht bij elkaar toen ik omkeek, een man achter me in een bus die deed alsof hij sliep en zijn hand steeds tussen de stoelen door naar voren liet kruipen. Een peuter op de arm van zijn moeder barstte verschrikt in huilen uit toen hij me zag.
Maar het ergste waren de mannen die ervan uit gingen dat ik, als witte, onbesneden vrouw, de hele tijd geil was en op zoek naar een man die mijn brand kon blussen. Iets wat zich in latere jaren herhaalde in elk Arabisch land dat ik bezocht, al dan niet vergezeld van een stel grijpgrage vingers.

Ik dacht eraan om dit onder de comments op het stuk van The Huffington Post te schrijven. In mijn hoofd probeerde ik wat Engelse zinnetjes uit. Maar de angst om voor white privileged uitgemaakt te worden weerhield me. Ik wilde ook helemaal geen discussie starten, ik was het niet oneens met de schrijfster van het stuk: dit soort dingen overkwamen vrouwen in den vreemde, het was goed dat ze er de aandacht op vestigde.

Ik had onder het stuk kunnen schrijven: Vreselijk! En heel herkenbaar, ook ik, als witte vrouw, etc. Maar ook dat gaf me het gevoel alsof ik iets wilde pakken dat niet van mij was.
Alles is zo ingewikkeld geworden, dacht ik. En toen: ik klink als een witte man.

Daar moest ik even over nadenken. Het punt is, dacht ik, alles is aan het verschuiven op het moment, en dat is goed, dit is een belangrijke tijd. Er worden nieuwe groepen gevormd. Sommigen moeten een stapje terug doen of nu hun mond eens houden, naar anderen wordt eindelijk geluisterd, ook als ze misschien niks te vertellen hebben. Maar uiteindelijk zal het allemaal rechttrekken. Eerst is er chaos, dan volgt orde.
Ik keek naar de lijst comments onder het stuk, die maar bleef groeien en groeien. Iedereen was het met elkaar eens, een ordelijk tapijt werd er geknoopt om zacht op te liggen, om lekker op te slapen.
Maar ik zei niks.

vrijdag 12 juli 2019

Dit is geen mensenwerk

Gonda duwde het graan met twee handen opzij en stapte in de opening die ontstond. Haar broek was tussen haar billen gekropen. Ze had Hollandse billen, plat en breed. Ik herinnerde me ze van de foto’s. Achter me hoorde ik de fotograaf hijgen. Afgezien daarvan was het doodstil.
Plotseling bleef Gonda staan. Voor ons lagen de graanstengels plat op de grond, netjes in dezelfde richting, alsof iemand er een kam door had gehaald, ze met gel had vastgeplakt aan de aarde. Ik stoeide wat met die zin: de schedel van moeder aarde? En schrapte hem toen in zijn geheel.
Gonda zakte door haar knieën. ‘Kijk, de halmen zijn gebogen, niet geknakt.’
Ze pakte een rode Konica Pop uit haar rugzakje en maakte een foto. De fotograaf keek onbewogen toe. Ik vroeg me af of hij instructies van me verwachtte. Het was een freelancer van een plaatselijk agentschap. Ik kende alleen Roel. Roel had geen instructies nodig.
Een halfjaar eerder waren we gaan samenwerken, toen ik de rubriek overnam van Matthijs, die hoofdredacteur was geworden van een weekblad dat ik destijds alleen uit de supermarkt kende.
Ik werkte aan wat mijn eerste boek zou gaan worden en zocht een baantje dat niet te veel beslag legde op mijn tijd maar wel de huur betaalde.
Dit was niet veel werk, verzekerde Matthijs me. Roel fotografeerde de meisjes en daarna nam ik telefonisch het interview af. Elke week een stukje. Ik hoefde er de deur niet voor uit. Dat laatste trok me over de streep.

De eerste die ik belde was Jacobien uit Ursem. Terwijl ik het nummer intoetste merkte ik dat ik gespannen was. Matthijs had me verteld dat de meisjes altijd een beetje verliefd op hem werden. Sommigen bleven maar bellen. ‘Maar daar heb jij vast geen last van.’
Ik stelde me voor als Marieke van het ‘Erotisch onderonsje’. Zo heette de rubriek al toen Matthijs hem voor zijn rekening nam en ik had het niet nodig gevonden aan te dringen op een naamsverandering. Naast me lagen de krullende faxvellen waarop Jacobien poseerde op wat een wasmachine leek. Ze was erg blij met de foto’s, zei ze. Ze deed het voor haar vriend. En voor haar dochtertje.
‘Je zult er wel over in de krant hebben gelezen, mijn ex heeft haar vermoord, met zijn blote handen. Hij zit nu vast.’
Ik opende mijn mond en sloot hem weer.
Zakelijk alsof ze het menu van de dag voorlas deed Jacobien het verhaal uit de doeken. Ik staarde naar het faxpapier, dat langzaam donker kleurde in de warmte van mijn bureaulamp. Toen er een stilte klonk aan de andere kant van de lijn wist ik dat ik nu iets moest zeggen.
‘En,’ zei ik monter, ‘wat doe je zoal graag met je vriend in bed?’

In de weken daarop interviewde ik tientallen meisjes. Nooit werd er eentje verliefd op me, allemaal begonnen ze over hun problemen. Problemen met een ex, met hun vader of hun moeder; problemen met de fles, de portemonnee of de weegschaal. Ik luisterde en zag ons afdrijven, op een luchtbed de volle zee op, richting Engeland. Als ik ze eindelijk had weten terug te leiden naar het hoofdonderwerp bleken ze daar eigenlijk niet over te willen praten.
‘Je moet ze een beetje op weg helpen,’ had Matthijs gezegd, ‘uit zichzelf vertellen ze niks. Jij schrijft toch een boek? Dan heb je vast wel fantasie.’
Ik moedigde ze aan. Spelde het voor ze uit. ‘In je eigen woorden,’ zei ik. ‘Geef eens een voorbeeld?’
Gestamel, gegiechel.
Soms moest ik zeggen: ‘Als je niks vertelt kan ik geen stukje schrijven en zonder stukje plaatsen we je foto’s niet.’
Of ik zei: ‘De fotograaf is voor jou het halve land door gereden, je gaat me toch niet vertellen dat dat voor niks is geweest?’
Soms moest ik een beetje dreigen.
En soms was ik teleurgesteld als ze alsnog enthousiast begonnen te vertellen.
‘Je moet het gewoon zien als een antropologisch project,’ zei mijn vriend, die op dat moment een film maakte. Ik kon het vast nog wel ergens voor gebruiken. In mijn proza, bedoelde hij.
Intussen schreef ik al weken niet meer. De meisjes riepen harder dan mijn personages. Na elk interview had ik dagen nodig om mijn hoofd schoon te vegen en dan diende het volgende onderonsje zich alweer aan.
Ik begon vier, vijf interviews op een dag te plannen, zodat ik me de rest van de maand op mijn boek kon concentreren. Het hielp niet, in een groep klonken de meisjesstemmen nog harder. Ik dacht aan stoppen. Maar ja, het geld.

Toen kreeg ik Gonda uit Bikkershorn aan de lijn. Gonda was hypnotherapeut. Haar specialiteit: mensen die het slachtoffer waren geworden van ufo-ontvoeringen.
Ik ging wat rechterop zitten.
‘Maar daar wil je het vast niet over hebben,’ zei Gonda met haar slepende noordelijke tongval. ‘Nou, ik doe dus aan BDSM. Ik vind het hartstikke kicken als ze me vastbinden.’

Gonda praatte moeiteloos een uur vol, ik hoefde alleen maar te zeggen: bedankt.
Toen het nummer met haar onderonsje erin was verschenen belde ze me. Ze had een cliënt, Saskia, die al tientallen malen was ontvoerd door een ufo en die daar heel goed over kon vertellen. Of ik haar niet eens wilde interviewen.
Ik wilde zeggen dat ik niet over dat soort zaken schreef, maar bedacht me. Misschien gaf Matthijs me wel tweeduizend woorden. Daarmee kon ik schrijftijd kopen.
Ik belde hem. ‘Twaalfhonderdvijftig woorden,’ zei hij, ‘ik wil het donderdag hebben.’
‘Mooi zo,’ zei Gonda toen ik haar terugbelde. Alleen wilde Saskia me niet persoonlijk spreken, ook niet telefonisch. ‘Maar als je je vragen aan mij doorfaxt, zorg ik ervoor dat Saskia ze krijgt.’
Ik ging akkoord en besloot Matthijs niet te vertellen op welke wijze het interview tot stand was gekomen. Als hij zou vragen hoe Saskia eruitzag zou ik zeggen: eigenlijk heel gewoon.

Die nacht begon de fax in de achterkamer te ratelen. Ik kwam uit bed en zag het faxpapier over de vloer kruipen. Mijn vriend had nachtopnamen. Ik deed het licht aan en begon te lezen.
Saskia was vier toen ze voor het eerst bezoek kreeg van buitenaardse wezens. Ze lag in bed en hoorde een zoemtoon. Het volgende moment kwamen er een stel lichtbollen door het raam die in haar slaapkamer de gedaante aannamen van naakte wezens met grote hoofden. Ze deden niks, ze keken alleen maar naar haar met hun vreemde zwarte ogen.
Op haar zevende werd Saskia voor het eerst meegenomen naar hun ruimteschip. Daar werd ze op een operatietafel gelegd en ze staken een lange naald in haar neus. Alsof ze iets wegnamen. DNA, schreef Saskia. Na haar eerste menstruatie begonnen ze ook eicellen weg te nemen. Ze had er tekeningen van gemaakt. Saskia op een operatietafel omringd door aliens. Saskia op weg naar boven. Op de laatste tekening stonden een aantal kolommen met mini-aliens erin. ‘Hybrides,’ stond erbij geschreven.
Een hybride was een baby van een alien en een mensenvrouw.
Ik schrok op van een geluid. Staarde de donkere voorkamer in. Niks. Toen ik me weer over de fax boog was er iets verschoven in mijn hoofd. Ik stond op en ging terug naar bed. Om het zoemen niet te kunnen horen trok ik het dekbed helemaal over mijn hoofd.

Matthijs was enthousiast en mijn interview met Saskia werd een coverartikel.
‘Misschien kan ik elke week zo’n stuk schrijven,’ zei ik.
Ik had die week Lia uit Klossehoek geïnterviewd die was gaan huilen toen ik haar vroeg of ze een vriend had, en Elsbeth uit Kwakkel die gefotografeerd had willen worden om te laten zien dat ze zich niet langer schaamde voor haar automutilatielittekens.
‘We zullen zien,’ zei Matthijs, ‘het moet natuurlijk niet ten koste gaan van de onderonsjes.’

Gonda bleek over een enorme hoeveelheid kennissen met paranormale hobby’s te beschikken. Ik schreef het ene stuk na het andere en tussendoor maakte ik erotische onderonsjes.
‘Misschien moet je dat maar niet zeggen als ze ernaar vragen,’ zei mijn uitgever. Met ‘ze’ bedoelde hij de journalisten die me allemaal zouden willen interviewen als mijn boek uitkwam. Er was inmiddels een datum geprikt, er werd een omslag ontworpen, het was echt geworden. Het boek was alleen nog niet af. Als de uitgever vroeg hoe het ging riep ik van goed en geweldig. De waarheid was dat ik nog steeds geld aan het verdienen was om schrijftijd van te kunnen kopen.

Gonda was niet alleen hypnotherapeut en iemand met veel kennissen, maar ook de secretaris van de Nederlandse afdeling van de International Association for Crop Circle Studies. In augustus, na een stilte van bijna drie maanden, belde ze weer. In het noorden was een graancirkel ontdekt.
‘Ik weet niet of het een echte is,’ zei ze erbij, ‘ik ga morgen kijken. Ga je mee? Het is bij Hooghalen.’
‘Waar is dat?’ vroeg ik, om tijd te rekken. Ik was net lekker op weg met mijn boek, als ik nu stopte om wat anders te gaan doen, kon het wel eens weken duren voor ik er weer in zat.
Maar ik was ook benieuwd naar Gonda, die ik nog nooit in het echt had gezien. Soms pakte ik nadat ze had gebeld het blad met haar foto’s erbij. Ik kon bijna niet geloven dat zij en dat meisje in zwart lakleer met strategisch geplaatste ritsen een en dezelfde waren.

Ik nam de trein naar Drenthe. Nog voor het fluitsignaal van de conducteur had geklonken had ik al spijt. Op elk station dat we passeerden dacht ik aan uitstappen. Maar ik bleef zitten. Voor het eerst had Matthijs me tweeduizend woorden gegeven.

In de stationshal van Assen werd ik aangesproken door een vrouw in een fleecejack waar ‘Red de Waddenzee’ op stond. Ik herkende haar aan haar stem. De fotograaf stond buiten op ons te wachten, zei Gonda. Ze was kleiner dan verwacht en ook minder indrukwekkend met kleren aan.
We reden de stad uit, naar het vlakke land. Het was even zoeken, maar toen hadden we hem gevonden. We baanden ons een weg door het graan. Gonda vertelde wat ze wist en wat ze nog hoopte te ontdekken. Dertien platgewalste plekken telden we, dertien cirkels die samen een kruis vormden. Ik gluurde naar Gonda. Ik zag iets in haar ogen dat me jaloers maakte.
‘Ongelofelijk, dit is de grootste en meest complexe formatie die ik ooit heb gezien.’ Gonda stond even stil om me aan te kijken. ‘Dit is geen mensenwerk.’
Ik had mijn titel. Demonstratief klapte ik mijn opschrijfboekje dicht en stak het in mijn tas.
‘Goed. Ik heb het wel.’
Gonda keek me verbaasd aan. ‘Wil je niet weten of er wit poeder in de laatste cirkel ligt?’
‘Nee. Ik heb het wel.’
Honderdtachtig kilometer hier vandaan lag mijn boek op me te wachten. Alleen al bij de gedachte lekten mijn borsten melk.
De fotograaf borg zijn camera op. Ook hij had het wel. Hij kon ons een lift geven naar het station. Anders werd het de belbus.
Ik ging met hem mee, Gonda lieten we achter in de cirkel. Na een paar meter schalde haar stem over het veld.
‘Zagen jullie dat vliegtuig? Dat is van defensie! Die maken foto’s!’
Ze riep nog iets, dat grotendeels verloren ging in het ruisen van het graan.
Terwijl ik voortploegde, met gestrekte armen de rogge opzij duwend, moest ik denken aan de vrouw die onder het afwassen uitslagen doorkreeg van voetbalwedstrijden die nog gespeeld moesten worden. Ik reisde een halve dag om haar aan de afwas te kunnen zien. Ze voorspelde drie voetbaluitslagen. Allemaal fout. Ik kreeg medelijden met haar en had haar verhaal aangepast. Drie andere voorspellingen liet ik haar doen, zodat ik ze kon laten uitkomen. Ze had er niets over gezegd, ze had me alleen bedankt voor het artikel.
Ieder zijn verhaal. Nu werd het tijd voor dat van mij.

Dit verhaal komt uit de gisteren verschenen bundel Allemaal onzin natuurlijk, een bibliofiele uitgave samengesteld ter ere van de zestigste verjaardag van uitgever en schrijver Guus Bauer.

woensdag 12 juni 2019

De ingreep

Hoe goed ik dit gevoel ken, deze angst, die lichtheid in mijn kop. Punten op een plattegrond die pas oplichten als je een knop indrukt, met elkaar verbonden door draden die anders onzichtbaar zijn. Goh, dus dit hoort er ook bij.

Het begon onschuldig, met een dingetje in de bek waar ik even naar wilde laten kijken. Niks aan de hand, zei de dokter, maar er moesten wel wat kiesjes worden getrokken. Tandhalsjes die blootlagen, pijn, ja, nee, katten kunnen dat héél goed verbergen.
Ik liet me zand in de ogen strooien door de verkleinwoordjes. Door de tandjes en de kiesjes en de tandhalsjes. Hoe erg kan het zijn, dacht ik, poppenhuis-stuff.

Twee dagen later melden we ons weer, ’s morgens om negen uur.
‘Ta-Miaut,’ verbeter ik de assistente, die bloost en zegt: ‘O ja.’ Over de telefoon was ze er ook al over gestruikeld: ‘Tami… a?’
Ik laat de poes achter, ga terug naar huis en vraag me van tijd tot tijd af hoe ver ze al zijn. Om half twaalf word ik gebeld door een onbekend nummer. Het gaat om Ta…miaa?
‘Ta-Miaut.’
Ja, die. Ze is zo in paniek dat er geen bloed kan worden afgenomen.
Ik tel: negen, tien, elf, half twaalf. Tweeënhalfuur. Ik kijk uit het raam, ik kan het gebouw waar ze is zo zien liggen. Drie minuten en ik ben er, twee als ik hol.
‘Geef haar maar snel die narcose dan,’ zeg ik.
Ik herinner me mijn eerste narcose, de ochtend na de avond waarop ik had vernomen dat mijn vriend een ander had. Doe me nú die narcose, dacht ik, ram die naald erin. Weg wilde ik zijn.
‘We wachten nog even,’ zegt de dierenarts, ‘als we het nu doen krijgt ze angstdromen.’
Ik huil geruisloos.

Drie uur later word ik teruggebeld. Tami...au? is onder zeil en er is een diagnose gesteld. Al haar tanden en kiezen moeten eruit, haar lichaam valt haar gebit aan van binnenuit.
Meteen zie ik iets voor me uit Fantastic Voyage, een oude scifi-film waarin mensen in een duikboot door een menselijk lichaam reizen en worden aangevallen door een groep witte bloedlichaampjes.
Ik google op ‘kat zonder tanden en kiezen’ + eten. Ik breng de hele dag googelend door.
Eindelijk mag ik haar ophalen. De dierenarts overhandigt me een zakje met een stuk of tien rode kiezelsteentjes. ‘De tandjes.’

Thuis wil ze alleen zijn waar ik niet ben. Ze gromt als ik haar voorzichtig met één vinger aanraak, sluipt weg als ik in haar buurt kom. Hé, wil ik zeggen, ik ben het, weet je nog? Ik ben jouw mens? Jij vindt mij grappig en lief? Maar als ze me al herkent van vroeger laat ze dat niet blijken. Ze zwalkt door het huis als een onbekende entiteit. Elk moment verwacht ik dat Ta-Miaut – de echte Ta-Miaut – naast me op de bank springt en net als ik vol angst en verbazing kijkt naar het wezen dat hier is ingetrokken.

De volgende dag wil ze niet eten, niet drinken. De antibioticia en pijnstillers die ik liefdevol heb staan fijnvijzelen om door het speciale voer te prakken blijven in het bakje achter. Lamlendig sla ik haar gade. Ik heb spijt. Katten zijn heel goed in het verbergen van pijn, ik had het spelletje best mee kunnen spelen. Nu gaat ze do – nee, niet denken – maar het is toch zo? Nu gaat ze d – hou op je overdrijft dat weet je niet bek houden.

Terug naar de dierenarts. Die me morfine geeft. Misschien gaat ze dan eten. De assistente laat zien hoe ik het gewonde bekkie opentrek om de morfine erin te spuiten. De andere assistente assisteert door van haar vuist een kattenkop te maken.
‘Tis toch je kind hè,’ zegt een vrouw met een konijn.
Was het maar mijn kind, een kind kun je uitleggen wat er gebeurt, een kind kun je vertellen dat het straks allemaal voorbij is. Een kat snapt niks.
Het eerste morfineshot gaat er half in, half naast. Het tweede, vier uur later, belandt op mijn broek. Ta-Miaut laat zich niet meer zien. Het eten in de bakjes begint te verkleuren.

Op dag 4 mauwt ze me opeens wakker, ze eet, ze wast, ze geeft kopjes, ze doet alles wat een echte Ta-Miaut doet. En dan stopt ze met eten.

Op dag 5 vind ik haar ’s morgens verstijfd in een hoekje. Ze wil niet eten en loopt weg als ik in de buurt kom. Ze wordt steeds kleiner. Ik zie het gebeuren, eerst de ogen, dan de rest. In het dagelijks contact is ze levensgroot, ongeveer even groot als ik. Nu heeft ze al de afmetingen van een muis.

Ik bel de dierenarts. Die wil haar ‘toch graag vandaag nog even zien’. Daar gaan we weer, mand in, straat op, sus-sus-sussende woordjes prevelend, voorbijgangers vervloekend. Daar staan we weer, voor de balie, in de behandelkamer, half in tranen, heel in tranen. Helaas, zal de dierenarts zeggen, niks meer aan te doen.
In elk geval kunnen ze nu wel haar naam uitspreken.

De dokter trekt haar bek open. Pus en maden en een stinkende bak ellende verwacht ik.
‘Dat ziet er heel mooi uit,’ zegt ze. ‘Wondjes helen mooi, hechtinkjes zitten er nog netjes in.’
‘Maar ze heeft al veertig uur geen antibiotica gehad,’ zeg ik, want die arts kan nu wel gezellig gaan lopen doen, daar komen we niet voor. ‘En ze eet niet.’
Dat ze niet eet heeft niks met de wondjes te maken, ze heeft pijn in haar buik. Daar gaan we weer, denk ik. Maar de dokter neemt het niet zo zwaar op. Ta-Miaut krijgt een prik in haar kont en een spuit in haar bek om de eetlust op te wekken en dan mogen we naar huis.
‘Maak maar een feestbuffet voor haar.’
Dat doe ik: paté van drie euro per blikje, gepureerde kipfilet overgoten met kippenbouillon, geneeskrachtige brokjes, kattenmelk, en een paar kattensnoepjes als dessert.
Ze eet alleen de kattensnoepjes op.
Ik flans een maaltijd voor mezelf in elkaar, trek een fles wijn open.
Ik drink alleen de wijn op.
Dan gaat de telefoon. Het onbekende nummer. Dat kan alleen maar slecht nieuws zijn. Ze willen dat ik nog even langs kom, er is toch nog iets ontdekt. Ik neem op.
‘Kunt u nog even langs komen,’ zegt de assistente. ‘U bent weggelopen zonder te betalen.’

maandag 3 juni 2019

First dates

Ik zat met een collega-schrijver in een café. Het was de eerste keer dat we afspraken, we hadden boeken voor elkaar mee, gesigneerd en wel. We zuchtten wat over geld (‘Ik weet niet wat ik zou moeten beginnen zonder het Letterenfonds,’ zei hij.), dronken wijn, aten bitterballen en toen het tijd was om op te stappen pakte hij zijn portemonnee en kwam overeind.
‘Jij gaat niet alles betalen, hè?’ zei ik.
‘Jawel,’ zei hij, ‘de jongens betalen voor de meisjes, zo doen we dat.’ En hij liep naar de bar.
‘O, ben je er zo een!’ riep ik hem na. Ik probeerde het even beschuldigend als dankbaar te laten klinken, maar wist niet of ik daar in slaagde.
Ik dacht aan First Dates, het tv-programma waarin mensen een blind date hebben in een restaurant. Aan het einde van de date is het altijd de man die betaalt. Soms zegt de vrouw, achterover leunend in haar stoel, op een totaal niet overtuigende manier: ‘Zullen we splitten?’ Meestal net op het moment dat de man zijn pasje door het pinapparaat ritst. ‘Nee joh,’ zegt hij dan. Soms zegt hij erbij dat hij ouderwets is.
Nooit klinkt er protest aan de andere kant van de tafel. Nooit trekt de vrouw als eerste haar portemonnee of zegt ze: ‘Ik betaal.’ In een heel, heel zeldzaam geval zegt er een: ‘Ik wil wel splitten, hoor.’ Meestal betekent dit dat ze de man een dweil vindt en hem niks verschuldigd wil zijn.

Ik had het hierover met mijn jonge, hippe buurvrouw. Zij vindt het vanzelfsprekend dat mannen voor haar betalen op dates.
Ik zei: ‘Maar jij werkt toch ook, jij verdient toch ook geld? Waarom moet hij dan betalen?’
Zij vond dat het zo hoorde. Ze zei ook: ‘Mijn moeder is altijd feministisch geweest en kijk wat het haar heeft opgeleverd. Niks.’
Ik probeerde feminisme te zien als zoutloos eten of naar de sportschool gaan; je deed het, maar niet van harte en het moest wel zichtbaar effect hebben, anders stopte je er acuut mee, je was niet gek.

Ik keek naar de bar waar de collega-schrijver wachtte tot hij mocht afrekenen. Ik keek in mijn portemonnee. Er zat alleen een briefje van vijftig in. Ik liet mijn portemonnee terug in mijn tas vallen. Aan een tafeltje bij het raam zaten een man en een vrouw. De vrouw was knap, jong en blond, de man droeg een bril en had een gezicht vol vouwen. Hij deed me aan Carmiggelt denken. Zij deed me denken aan alle jonge meisjes. Haar gezicht had nog niet de vorm van haar identiteit aangenomen. Ze boog zich naar de oude man toe en hij aaide haar haar. Ik bleef kijken. Het meisje ving mijn blik en hield hem vast. Toen legde ze haar wang op het tafelblad en strekte haar armen over tafel uit naar de man, alsof ze een drenkeling was.

Ooit las ik een interview met een autistische man die vrouw en kinderen had. Of hij van ze hield kon hij niet zeggen, hij wist niet hoe dat voelde. Wel overviel hem als hij naar ze keek een diep gevoel van medelijden. Ze waren zo hulpeloos.

Liefde is medelijden.
Ik heb slechtere definities gehoord.