maandag 24 oktober 2016

Herfst

Het was zondagmiddag en de zon scheen, dus ging ik naar het park. Het was drukker dan op al die zomerdagen waarop het boven de 25 graden was geweest, het hele fietsenrek stond vol. Ik was nog maar net binnen of er kwam een vrouw op me af met een soort sandwichbord van geplastificeerde A4’tjes omgehangen. Ik was nieuwsgierig naar wat er op stond, maar durfde niet haar kant op te kijken. Dan zou ze naar me toekomen, wist ik, en vragen of ik wist wat de Japanners deden met dolfijnen, of de Iraakse regering met gevangenen van wie de jongste soms nog maar acht jaar oud waren. Als antwoord zou ze met een scherpe vinger naar de foto’s op haar borst wijzen. Alsof het mijn schuld was.
Dus dook ik snel een zijpad in. Het was een prachtige herfstdag, de zon tekende vlekken op het pad en ik probeerde niet te denken aan wat de Japanners deden met dolfijnen.
Toen ik na een uurtje weer richting mijn fiets liep, zag ik een bejaard echtpaar met een klein bleek jongetje dat de hand van de bejaarde vrouw vasthield. Niet zoals hij de hand van zijn moeder zou vasthouden, maar alsof die hand hem was opgedrongen. De oude mensen liepen langzaam, en hij probeerde krampachtig zijn tempo aan te passen. Ze wilden net het pad naar de kinderboerderij inslaan toen er een vrouw met een sandwichbord opdook die ze de weg versperde. Ik ving het woord ‘beesten’op.
‘Kijk, dit is leuk voor je,’ hoorde ik de bejaarde vrouw tegen het jongetje zeggen.
Angstig keek hij naar de geplastificeerde A4’tjes. Hij had spierwit haar. Ik passeerde ze en wierp een blik op de foto’s. Eikels en kastanjes met pootjes van sat├ęprikkers. Sommige hadden opgeplakte oogjes.